printen     versturen    

Archeologie van middeleeuws Nederland

De Middeleeuwen (450-1500 na Chr.) vormen een periode waarin bijzonder veel gebeurde. Voor kennis over de eerste helft zijn we vooral op archeologische bronnen aangewezen.

Na het vertrek van de Romeinen neemt enerzijds de bevolking sterk af en immigreren nieuwe groepen van buiten. Dat zijn met name Germanen die als Angelen, Saksen en Franken westwaarts trekken. Continuïteit is er op de terpen en in enige steden in het zuiden, zoals Maastricht.

Mengculturen van Romeins en Germaans ontstaan in de Frankische koninkrijkjes, zoals dat van Clovis. In deze Merovingische tijd (500-700) breidt ook het christendom zich uit. In het eenheidsrijk van de Frankische koning Karel de Grote (742-814) bloeit de Noordzeehandel en ontstaan grote netwerken in het achterland langs de Rijn. Dorestad wordt daarbij een centrale overslag- en handelsstad. De toenemende welvaart en bevolkingsgroei leidt tot landontginningen en andere innovaties in landbouw en techniek. IJzerwinning en industriële processen grijpen op het landschap in, waardoor exploitatie van veen nodig werd. Externe druk (Vikingen) en interne processen hollen het centrale gezag uit, waarmee het Karolingische Rijk rond 1000 tot een einde komt. Daarna is er sprak van kleinere vorstendommen in een feodale structuur: graven en hertogen zijn leenheren van een lagere vorst. Loyaliteit en rijkdom worden vooral in termen van grondbezit gemeten.

Vanaf 1000 domineren kerken en kloosters het beeld van stad en land. Ons onze streken zijn dat vooral de kloosterorden van de Benedictijnen, Franciscanen en Cisterciënzers. Het waren niet alleen centra van geestelijk leven en cultuur, maar ook centra van industriële productie zoals van bakstenen (kloostermoppen). Daarnaast ontstaan kastelen, eerst als versterkte woonhuizen met een vluchttoren, later als motte-kastelen met slotgrachten.

De Late Middeleeuwen laten de geboorte van de Europese stad zien, bij uitstek langs de grote rivieren. De groeiende handel omvat nu ook bulkgoederen (hout, wol, graan), in aanvulling op de schaarse luxeproducten die daarvoor werden verhandeld. In ons land illustreert vooral Dordrecht deze ontwikkeling.


1. Wat zijn de middeleeuwen?
2. Na de Romeinen
3. Merovingische tijd
4. Karolingische tijd
4.1 Dorestad
4.2 IJzer
5. Late Middeleeuwen
6. Kerken, kloosters en kastelen
6.1 Kerken en kloosters
6.2 Kastelen
7. Stadsvorming
7.1 Dordrecht

1. Wat zijn de Middeleeuwen?

De Middeleeuwen is een tijd die veel mensen aanspreekt. In gedachten verschijnen beelden van koene ridders te paard, die schone jonkvrouwen uit de handen van snode koningen redden, of de wijde wereld intrekken om heldendaden te verrichten. Het is de tijd van de kastelen en de minstreels, van toernooien en Karel de Grote. Dit eenzijdige beeld wordt gevoed door verhalen die uit die periode overgeleverd en later geromantiseerd zijn. Daarbij kan gedacht worden aan de onmogelijke liefde van Tristan en Isolde, de tragische ondergang van de Nibelungen, en de heldendaden van koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel - oeroude verhalen die in de 11de eeuw in Frankrijk een elegante draai kregen en in de hofcultuur werden opgenomen. Daar werden ze opgetekend door schrijvers en zo behouden voor latere generaties. Ze hebben nog steeds hun bekoring niet verloren, getuige de vele films, opera's en boeken die op een of andere manier op deze sages terug te voeren zijn.

In de Italiaanse Renaissance, toen men probeerde aan te sluiten bij de 'verheven' beschaving van de klassieke oudheid, werden de tussenliggende eeuwen smalend omschreven als demedia tempestas, de Middeleeuwen. Maar de Middeleeuwen waren veel meer dan een verloren tussenperiode. Het was een bewogen tijdperk van ruwweg 450 tot 1500 na Christus, waarin de basis werd gelegd van de Nederlandse staat. Hoewel de Middeleeuwen vaak als een statische periode wordt gezien, veranderde er in de ruim 1000 jaar heel veel. Uit de Middeleeuwen beschikken we over schriftelijke bronnen van ons land, waardoor archeologisch en historisch onderzoek elkaar aan vullen en er een beeld van een rijk geschakeerde samenleving ontstaat. Tot ongeveer het jaar 1000 zijn die historische bronnen echter uiterst schaars. Voor de reconstructie van de geschiedenis in de voorafgaande periode, de Vroege Middeleeuwen, zijn we dan ook grotendeels afnankelijk van archeologisch onderzoek.

De studie van de gebruiksvoorwerpen neemt een belangrijke plaats in binnen de archeologie. Deze werpen licht op handelsrelaties, de rijkdom van nederzettingen en huishoudens, en op de technische kennis van dat moment. Soms hebben voorwerpen naast een functionele ook een symbolische betekenis, waardoor een glimp van een vergeten wereld van ideeën en gevoelens kan worden opgevangen.

Archeologisch onderzoek beperkt zich echter niet tot de bestudering van gebruiksvoorwerpen en grondsporen. Een apart onderzoeksgebied richt zich op botanische en zoologische resten. Grondmonsters worden onderzocht op de aanwezigheid van zaden, pollen en stuifmeelkorrels om een indruk te krijgen van het landschap, de ontwikkeling van de landbouw en het klimaat. Botten geven onder meer informatie over voedingspatronen en men stelt zich vragen als: welke planten groeiden er? Of: welke gewassen werden er zoal verbouwd?

Het Rijksmuseum van Oudheden heeft een grote collectie middeleeuwse voorwerpen: van prachtige mantelspelden en gouden halskettingen tot het gewone dagelijkse huisraad. Deze vertellen allen hun eigen verhaal en vormen een stukje van de archeologische puzzel. Aan de hand van uiteenlopende vondsten zullen in deze gids verscheidene facetten van de middeleeuwse samenleving besproken worden.

2. Na de Romeinen

In het jaar 476 werd het Westromeinse rijk formeel opgeheven. Een legeraanvoerder van Germaanse herkomst zette de laatste Romeinse keizer, de jonge, krachteloze Romulus Augustulus, af. Talrijke interne problemen en invallen van buitenaf maakten definitief aan dit imposante rijk van weleer een einde. Het meest noordwestelijke rijksgebied op het Europese vasteland, aan de monding van Maas en Rijn, was al veel eerder voor Rome verloren gegaan: in 406 was de Rijngrens definitief door Rome opgegeven.

Redenen hiervoor waren de voortdurende invallen van Germaanse stammen, die al vanaf circa 270 van uit het noorden de Rijngrens overstaken. Zelfs het inschakelen van Germaanse huurlingen bij de grensverdediging had niet geholpen om de barbaren op een veilige afstand te houden.

Met het einde van de Romeinse tijd braken duistere eeuwen voor ons land aan. Historische bronnen zijn nauwelijks voorhanden. We zijn dan ook grotendeels aangewezen op archeologisch onderzoek. Twee met elkaar samenhangende zaken zijn vanaf de laat-Romeinse tijd vast te stellen. In de eerste plaats was er een sterke daling van de bevolking in onze streken, in de tweede plaats traden er allerlei migraties op. Een verklaring voor deze migraties of volksverhuizingen was het machtsvacuüm dat ontstond na het wegvallen van het Romeinse gezag. Bovendien is waarschijnlijk een groot deel van de bevolking met het Romeinse leger meegegaan, omdat veel mensen er direct of indirect economisch afhankelijk van waren geworden. Het leger bood velen werk omdat het allerlei producten nodig had, zoals granen, vlees en huiden. Dat werd veelal betrokken uit de directe omgeving.

Historische bronnen wijzen voor deze periode op de vestiging van Germaanse stammen in het door de Romeinen opgegeven gebied. Zij streken onder meer neer in Noord-Frankrijk, België en het Rijn land en staan bekend onder de verzamelnaam Franken ('dapperen', 'onstuimigen'). Zij stichtten daar talrijke rijken en rijkjes. In de 5de eeuw breidden ondertussen de Friezen in het noorden hun macht uit, tot in het midden van ons land. Groepjes Angelen en Saksen veroorzaakten onrust toen zij het noorden binnenvielen; deze Germanen waren grotendeels op doortocht naar Engeland.

Afgezien van de migraties zijn uitputting van de landbouwgronden, epidemieën en vernatting van het milieu als verklaringen voor de afname van de bevolking genoemd. Bepaalde gebieden, zoals West-Nederland, lijken volkomen ontvolkt te zijn geweest in de 4de en 5de eeuw. Alleen een handjevol vondsten en naamkundige gegevens wijzen op continuïteit van bewoning. Zo zijn er bepaalde plaats- of waternamen (bijvoorbeeld Loosduinen, Rotte en Waal) die van Romeinse of prehistorische oorsprong zijn. Aangezien deze namen tot op de dag van vandaag in omloop zijn, moet er dus sprake zijn geweest van bewoning. Generatie op generatie heeft die namen gebruikt, waardoor zij nooit verloren zijn gegaan.

In Drenthe, op de Veluwe en met name in het Noord-Nederlandse terpengebied valt wel een duidelijke continuïteit van bewoning te constateren. Op de terpen woonden de Friezen, die niet alleen agrarische werkzaamheden verrichtten, maar ook handel dreven. Zij handelden in vee, zuivelproducten en runderhuiden. In de Vroege Middeleeuwen was het Friese laken belangrijke handelswaar. Verder werden er op de terpen talrijke ambachtelijke activiteiten ontplooid. Bij archeologisch onderzoek zijn bij voorbeeld sporen van metaalbewerking, textielfabricage en beenbewerking teruggevonden. Een ander fraai voorbeeld van bewoningscontinuïteit is Maastricht. Deze stad is in de Romeinse tijd ontstaan op de kruising van de rivier de Maas en de weg van Keulen naar Tongeren. Door de Frankische invallen vanuit het noorden werd de nederzetting rond 270 verwoest. Op de puinhopen werd een klein fort aangelegd. Hierin heeft waarschijnlijk een bonte mengeling van burgers en militairen gewoond. Een deel van de inwoners is begraven op een grafveld buiten de stad bij de latere Sint-Servaaskerk. Archeologisch onderzoek van dit grafveld heeft uitgewezen dat het tussen 300 en 700 continu in gebruik is geweest.

De Sint-Servaaskerk is genoemd naar de eerste bisschop van Tongeren. Hij werd in circa 384 in Maastricht begraven en naar Romeinse gewoonte in een grafveld buiten de nederzetting bijgezet. Bij zijn graf wordt later een monument opgericht, dat na talrijke verbouwingen uitgroeide tot de huidige Sint-Servaaskerk. Niet alleen de aanwezigheid van Servatius binnen de muren van Maastricht, maar ook vondsten van grafstenen en laat-Romeins aardewerk met christelijke symbolen wijzen op het bestaan van een vroeg-christelijke gemeenschap in deze stad. In de rest van Nederland drong het christendom pas enkele eeuwen later door.

3. Merovingische tijd (circa 500-750)

Na hun doortocht in de laat-Romeinse tijd kwamen de Franken vanuit het zuiden in de loop van de 6de eeuw weer terug. In het begin van deze eeuw waren in een reeks oorlogen de vroeg-Frankische koninkrijkjes verenigd door een van de Frankische heersers, Clovis. Zijn rijk wordt het Merovingische genoemd, naar zijn grootvader Merovech. In 496 laat Clovis zich bekeren tot het christendom. Vanaf dat moment gebruiken hij en zijn opvolgers de christelijke religie om hun politieke en militaire acties te legitimeren. Daarbij zien de Frankische heersers zich als wettige erfgenamen van het vroegere Romeinse gezag.

De vroeg-Frankische koninkrijkjes vertonen een mengeling van Germaanse en Romeinse kenmerken. Dit laatste wordt fraai geïllustreerd door de vondsten uit het graf van Childerik, de vader van Clovis, in het Belgische Doornik (Tournai). De grafvondst werd in 1653 bij toeval gedaan, tijdens de afbraak van een oud gasthuis. De vondst is destijds beschreven door de arts J.J. Chiflet. Childerik, die in 482 was overleden, bleek in vol ornaat begraven. De bijgiften zijn zeer kostbaar en bestaan uit Romeinse en Germaanse goederen. Typisch Romeins zijn een zegelring en een 'uienknopfibula', een mantelspeld die vooral door Romeinse magistraten werd gedragen. Verder werd er een aantal wapens naar Germaans model teruggevonden.

De opvolgers van Clovis zetten diens expansiepolitiek voort. Het Merovingische rijk had zich weliswaar rond 630 uitgebreid tot de Rijn, maar pas rond 690 werd Midden-Nederland definitief door de Franken geannexeerd. De christelijke missiepost Utrecht en de handelsnederzetting Dorestad werden gesticht, beide in de directe nabijheid van voormalige Romeinse forten.

Een belangrijke ontwikkeling rond die tijd was de komst van het christendom. In de loop van de 7de eeuw lijkt de lokale adel in Zuid-Nederland bekeerd te zijn. Doordat de Frankische heersers christelijk waren, zal de Nederlandse elite zich waarschijnlijk sneller opengesteld hebben voor het nieuwe geloof. De rest van Nederland volgde in de loop van de 8ste en 9de eeuw. Dat is onder andere een gevolg van missie-activiteiten uit Engeland, van waaruit mannen als Willibrord en Bonifatius vertrokken om het evangelie onder de heidense stammen te prediken. Dat ze niet altijd met open armen werden ontvangen, blijkt uit het lot van Bonifatius, die in 754 bij Dokkum werd vermoord.

Met de komst van het christendom verdwenen oude gebruiken. De grafvelden, waarin de overledenen grafgiften meekregen, raakten in onbruik. Doden werden ook niet meer gecremeerd. De laat-Romeinse en Merovingische grafvelden, waarvan die van Rhenen wel het meest bekend is, werden niet meer gebruikt. Geleidelijk verschenen er kerken met begraafplaatsen waar de doden nu zonder grafgiften werden bijgezet.

De nederzettingen in die tijd waren doorgaans kleinschalig en praktisch zelfvoorzienend. Landbouw en veeteelt waren de belangrijkste bronnen van bestaan. De dunbevolkte nederzettingen maak ten deel uit van grotere territoriale eenheden. Deze eenheden worden door archeologen wel aangeduid met de term 'kerngewesten'. Deze zijn voor te stellen als bewoonde enclaves temidden van ontoegankelijk niemandsland. De bevolking in zo'n kerngewest kende een zeker saamhorigheidsgevoel en had voornamelijk met leden van de eigen groep contact. Dat betekent overigens niet dat er geen contacten met andere gebieden waren. Contacten over langere afstand gingen over water, vooral de rivieren waren belangrijke verkeerswegen in de Middeleeuwen. Contacten met andere gebieden werden voornamelijk onderhouden door handelaars en de adel. In de Vroege Middeleeuwen was er sprake van een elitenetwerk, waarvan de edelen onder meer door het uitwisselen van kostbaarheden de diplomatieke relaties onderhielden.

4. Karolingische tijd (circa 750-900)

In de loop van de Merovingische tijd en vooral in de Karolingische periode groeide de bevolking. Ondertussen werd het Frankische rijk steeds groter. De bekendste figuur uit deze periode van expansie was de Frankische koning Karel de Grote (742-814). Hij wist in de tweede helft van de 8ste eeuw de Friezen aan zich te onderwerpen en zijn rijk tot aan Zuid-Jutland uit te breiden. Naar de Latijnse versie van de naam van zijn grootvader, Karel (Martel), Carolus, spreken we nu niet meer over het Merovingische, maar over het Karolingische rijk.

De vereniging van landen en volkeren onder Karel de Grote heeft in zekere zin de grondslag gelegd voor het latere Europa. Hij reisde, evenals zijn voorgangers, met zijn hofhouding door het rijk en onderhield persoonlijk contacten met de lokale machthebbers.

De Noordzeehandel kreeg in de Karolingische tijd een sterke impuls door de opbloei van industrie in het achterland. Er werd gehandeld in aardewerk en glas uit het Rijnland, en metaal uit het Belgische Maasgebied. De grote rivieren en de Noordzee vormden de verkeersaders voor de internationale handel in vooral luxe en uitheemse goederen. In dit handelsnetwerk waren vooral de Friese handelaren erg actief.

4.1 Dorestad

Dorestad was in deze tijd de overslag- en handelsplaats bij uitstek. Het was gelegen op de splitsing van de rivieren Rijn (de huidige Kromme Rijn) en Lek, bij het tegenwoordige Wijk bij Duurstede. Van de Karolingische nederzetting Dorestad zijn grote delen opgegraven; de Merovingische bewoningsporen zijn echter grotendeels door het rivierwater weggespoeld. Het archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat naast handelslieden ook boeren en ambachtslieden de nederzetting bevolkten. Dit laatste is kenmerkend voor vroeg-middeleeuwse handelsnedezettingen. Door politieke ontwikkelingen in de loop van de 9de eeuw en wellicht mede door het optreden van de Vikingen raakte Dorestad in verval. Het wordt afgesneden van het achterland het Duitse Rijnland en het Midden-Maasgebied. Daarnaast kwam de meanderende Rijn steeds verder van de nederzetting af te liggen. Daardoor verloor Dorestad uiteindelijk haar betekenis voor de handel. Overigens is van invallen of de aanwezigheid van Vikingen in Nederland archeologisch gezien weinig te merken. Enkele ringwalburchten in Zeeland (Oost-Souburg, Middelburg, Domburg) zijn mogelijk aangelegd om de bewoners tegen aanvallen te beschermen. Ook is er een aantal losse vondsten gedaan die met de Vikingen in verband gebracht kunnen worden. Maar meer is er niet, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het oosten van Engeland, dat de Vikingen regelmatig op strooptocht 'bezochten'. Een aantal van hen vestigde zich daar uiteindelijk, vermengde zich met de lokale bevolking, en liet sporen achter, vooral in de geografische namen, in de Engelse taal en natuurlijk in de grond.

Een consequentie van de toename van de bevolking was dat in de Karolingische tijd de omvang van het boerenbedrijf en van de nederzettingen groeide. Men begon met het ontginnen van kleigebieden (kwelders en rivierdalen), waar nieuwe nederzettingen werden gesticht. Ook werd vanaf de 8ste eeuw een nieuw ploegtype geïntroduceerd en begon men met plaggenbemesting om uitputting van de grond tegen te gaan. Het surplus dat geleidelijk aan in de landbouw ontstond, maakte het mogelijk dat een toenemend aantal mensen zich met andere werkzaamheden kon gaan bezighouden, zoals de beoefening van ambachten en het drijven van handel.

Archeologisch onderzoek op de Veluwe en in Drenthe heeft uitgewezen dat de nederzettingen zich langzaam verplaatsten. Huizen werden gebouwd in nieuw ontgonnen gebieden en oude erven werden in het akkerareaal opgenomen. Dit fenomeen is onder meer bekend van een nederzetting bij Kootwijk op de Veluwe. De inwoners van deze vroeg-middeleeuwse nederzetting hielden zich niet alleen met agrarische activiteiten bezig; ook ambachtelijke werkzaamheden werden door hen verricht. In Kootwijk zijn namelijk hutkommen opgegraven. Hutkommen zijn deels in de grond gegraven gebouwtjes (vergelijkbaar met plaggenhutten), waarin ambachtelijke werkzaamheden uitgevoerd konden worden, zoals weven of metaalbewerking. Ook werden er goederen in opgeslagen. Dergelijke gebouwtjes zijn ook van andere vroeg-middeleeuwse vindplaatsen bekend.

4.2 IJzer

De inwoners van Kootwijk zijn waarschijnlijk betrokken geweest bij het transport van ijzer. IJzer komt voor in de schil van zogenaamde klapperstenen, die op enkele plaatsen op de Veluwe gevonden worden. Er was destijds veel vraag naar dit metaal in verband met de productie van wapens en gereedschappen. De winplaatsen van klapperstenen waren in handen van de lokale elite. Er wordt wel verondersteld dat ter bescherming van de toevoerwegen deze elite ringwalburchten heeft aangelegd. De ruïnes van deze burchten, de Duno bij Doorwerth en de Hunneschans aan het Uddelermeer, zijn nog zichtbaar.

De Kootwijkers waren uiteindelijk gedwongen hun nederzetting te verlaten: door de ontbossing die nodig was voor de ijzerproductie en de aanleg van akkers, en door ongunstige klimatologische omstandigheden (droogte in de 10de eeuw), ontstonden er grote zandverstuivingen op de Veluwe. Hierdoor werden de akkers in korte tijd overstoven en moest omgezien worden naar ander land.

Ook in West-Nederland deden zich op grote schaal zandverstuivingen voor. Langs de kust vormden zich vanaf de 10de eeuw de Jonge Duinen, waarbij in een relatief korte tijd veel nederzettingen onder een pakket zand dat vaak meters dik is, verdwenen. Zo is op de Waalsdorpervlakte, tussen Den Haag en Wassenaar, een akkerareaal opgegraven dat afgedekt was door een ruim vier meter dik pakket jong duinzand. Door het verlies van landbouwgronden en de gestage bevolkingsgroei was men genoodzaakt tot de ontginning van veengebieden over te gaan. Dat gebeurde dan ook op grote schaal in de Late Middeleeuwen.

Het Karolingische rijk, dat zich op zijn hoogtepunt uitstrekte van de Noordzee tot de Middellandse Zee, viel in de loop van de 9de eeuw uiteen. Dat kwam onder andere door de invallen van de Vikingen en door interne conflicten, maar ook door bestuurlijke problemen: naarmate het rijk groter werd door de talrijke veroveringen, werden de bezoeken van de Karolingische koningen aan bepaalde streken minder frequent. De lokale adel kon hier dan ook zelfstandiger opereren en zo meer macht verwerven, waardoor het centrale bestuur uitgehold werd. Dit was een van de redenen voor het uiteenvallen van het Karolingische rijk.

5. Late Middeleeuwen (1000-1500)

Het Karolingische rijk raakte na enkele rijksdelingen opgesplitst en vanaf de 10de eeuw ging ons land deel uitmaken van het Duitse rijk, dat evenals Frankrijk uit deze opdeling voortkomt. De 10de en het begin van de 11de eeuw, als overgangsperiode van de Vroege naar de Late Middeleeuwen, wordt wel aan geduid met de Ottoonse tijd.

Geleidelijk ontstonden in Nederland territoriale vorstendommen, een soort zelfstandige rijkjes. Ze werden door graven of hertogen bestuurd. De bisschop van Utrecht regeerde als landsheer, over het Sticht Utrecht. Door het zwakke centrale gezag van de Duitse keizer en de marginale ligging van ons land ten opzichte van het Duitse rijk konden de landsheren steeds meer macht verwerven. Dit ging vaak ten koste van elkaar. De politieke geschiedenis in deze periode werd dan ook bepaald door onderlinge machtsstrijd.

Van groot belang bij de instandhouding van de bestaande machtsstructuren was het leenstelsel. Dit heeft zich geleidelijk aan vanaf de Vroege Middeleeuwen ontwikkeld. In eerste instantie werden goud en andere kostbaarheden door de koning aan onderdanen geschonken in ruil voor trouw en steun op politiek en militair gebied. Later begon de koning grond te schenken en vooral in leen te geven aan de lokale elite. Hij probeerde op deze wijze de elite aan zich te binden, die op hun beurt hem met militaire en financiële hulp terzijde moesten staan. Omdat de belening met grond op den duur overerfbaar werd, werd het bijhouden van afstammings- en verwantschapslijnen heel belangrijk.

Voor de landsheren was de ontginning van woeste gronden, in het bijzonder de veengebieden, een van de methoden om inkomsten en politiek aanzien te verwerven. Grootschalige veenontginningen vonden vanaf circa 1000 plaats. Niet alleen de landsheren waren daarbij gebaat, maar ook de gewone bevolking, want er was gebrek aan landbouwgronden om het toenemend aantal monden te voeden. Door de bevolkingsgroei en het verdwijnen van landbouwgronden, onder meer door overstromingen en de vorming van Jonge Duinen, was grond in die tijd relatief schaars. Het veen werd ontgonnen door parallelle sloten in de veengebieden te graven. Zo werd vanaf de hogere woongronden (strand- en oeverwallen) het veengebied blok- of strookvormig verkaveld. Dergelijke verkavelingspatronen zijn vaak tot op de dag van vandaag zichtbaar in het landschap. De drainage van het veen leverde voor enige tijd nieuwe landbouw grond op, maar door het voortdurend inklinken van de bodem kwam het maaiveld steeds lager te liggen. Dit proces van indroging en verdichting was niet te stoppen en daardoor was men uiteindelijk gedwongen middelen te zoeken het ontgonnen land tegen overstroming te beschermen. De oplossing werd gevonden in het aanleggen van kaden en dijken. De voortdurende bodemdaling maakte de veengebieden uiteindelijk voor landbouw minder geschikt. Daarom ging men zich in deze gebieden dan ook toeleggen op veeteelt en turfwinning.

6. Kerken, kloosters en kastelen

6.1 Kerken en kloosters

Kerken werden vanaf het einde van de Vroege Middeleeuwen in groten getale opgericht. Ze stonden vaak midden in de stad of dorp en symboliseerden op die wijze de centrale plaats die het christendom in de maatschappij innam. De liturgische kalender met de christelijke gedenk- en feestdagen bepaalde het ritme van het dagelijks leven.

Naast kerken ontstond in de Late Middeleeuwen ook een toenemend aantal kloosters. De oudste kloosters zijn die van de orde der Benedictijnen. Dit was een rijke orde die veel grond bezat en nauwe banden onderhield met de elite. Het kwam regelmatig voor dat een adellijke familie met meerdere erfgenamen één daarvan naar het klooster stuurde om problemen rond de verdeling van de erfenis en de opvolging te voorkomen. De toetreding tot het klooster ging vaak gepaard met grote schenkingen.

Door hun rijkdom waren de kloosters erg machtig en konden veel invloed in het openbare leven doen gelden. Daarom was het voor de elite politiek verstandig om op goede voet met hen te staan. Bij Rijnsburg, Susteren en Egmond zijn de overblijfselen van benedictijnerkloosters teruggevonden. Het klooster van Egmond werd in de 10de eeuw door de graven van Holland gesticht. Enkelen van hen werden hier ook begraven.

Vanaf de 12de eeuw kwam de orde der Cisterciënzers op. Deze orde stichtte vooral kloosters in onherbergzame gebieden, waar ze zich onder meer bezig- hield met ontginnings- en inpolderingswerkzaam heden. Deze orde werd eveneens zeer rijk en machtig. De cisterciënzerkloosters bezaten veel grond en vormden culturele centra op het platteland. Deze monniken introduceerden de fabricage van bakstenen. Die waren in het begin heel groot en worden tegenwoordig kloostermoppen genoemd.

In de 13de en 14de eeuw werden kloosters vooral in de zich snel ontwikkelende steden gebouwd. Deze waren onder andere van de bedelorden der Franciscanen en Dominicanen. Deze monniken hielden zich onder andere bezig met het geven van onderwijs. Behalve kloosters werden in de steden ook andere religieuze instellingen opgericht, zoals de gasthuizen. Daar werden zieke, oude en arme mensen verzorgd en konden pelgrims overnachten.

6.2 Kastelen

Een van de meest kenmerkende gebouwtypen van de Late Middeleeuwen was het kasteel. Tot aan de 14de eeuw was er sprake van een zwak ontwikkeld centraal gezag in ons land, waardoor de territoriale vorsten en andere lokale gezaghebbers regelmatig met elkaar in conflict kwamen. Daarom bouwden ze verdedigbare woonhuizen waarin ze zich met hun gevolg in onrustige tijden konden verschansen. Vanaf de 11de tot in de 13de eeuw werd in Nederland het zogenaamde motte-kasteel (chateau-a-motte) aangelegd. De motte is een opgehoogde heuvel omringd door een gracht. Op deze heuvel bevond zich een woontoren (donjon), met of zonder ringmuur. De vliedbergen in Zeeland en de stinswieren in Friesland zijn hier voorbeelden van.

In de loop van de 13de eeuw ontwikkelde zich geleidelijk een ander, bekender kasteeltype. Motte-kastelen zijn dan vanuit militair oogpunt verouderd en de introductie van baksteen maakte het mogelijk om zware, defensieve muren aan te leggen. De kastelen werden groter en de woongedeelten werden uitgebreid. Door de bouw van zware muren en de aanleg van brede slotgrachten was een motte-kasteel niet meer noodzakelijk. Zo ontwikkelde zich de waterburcht, die veelal ook van muurtorens is voorzien ter bescherming van de flanken van het kasteel. Het Muiderslot is hier een goed voorbeeld van. Aan het einde van de Middeleeuwen raakte het militair-defensieve aspect van het kasteel steeds meer op de achtergrond en werd het vooral een bouwwerk dat de slotheer een zekere status verleende.

7. Stadsvorming

In de Late Middeleeuwen vond op grote schaal stadsvorming plaats. Over de vraag wat nu eigenlijk een stad is, zijn boekenkasten vol geschreven. Een eensluidend antwoord zal wel nooit op deze vraag gegeven worden, maar twee zaken staan niet ter discussie. In de eerste plaats vervulde een stad een centrumfunctie voor de directe of wijdere omgeving, en in de tweede plaats vonden er binnen een stad veel verschillende activiteiten plaats. Naast bestuurlijke activiteiten, worden er ook economische, juridische, en religieuze activiteiten ondernomen, waardoor er een heterogene gemeenschap woonde: kooplieden, ambachtslieden, geestelijken, bestuurders, puissant rijke, maar ook zeer veel arme mensen.

De vorming van steden vond in eerste instantie vooral langs belangrijke handelsroutes plaats, zoals de Rijn, Maas, Waal en IJssel. In de 13de en 14de eeuw kwam de stadsvorming in een stroomversnelling. De territoriale vorsten stichtten en stimuleerden de ontwikkeling van steden vanwege de inkomsten uit de handel.

Vooral de handel nam in de Late Middeleeuwen sterk toe. Werden in de Vroege Middeleeuwen vooral kostbare en luxe-artikelen verhandeld, in de 13de eeuw werden bulkgoederen getransporteerd, zoals hout, wol en graan.

Naast het vervoer over de rivieren werd vanaf deze tijd de zeevaart van groot belang. Daardoor raakten binnenhavens steeds meer op de achtergrond en werd hun positie overgenomen door zeehavens. Veranderende handelspatronen en de nadruk op het vervoer van bulkgoederen leidden bovendien tot de ontwikkeling van een nieuw scheepstype in de 13de eeuw: de kogge. In tegenstelling tot de ondiepe, platte binnenschepen had de kogge een diep laad ruim waar veel meer in kon. Bovendien had ze betere vaareigenschappen. Talrijke schepen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd zijn teruggevonden in de IJsselmeerpolders, de voormalige Zuiderzee.

7.1 Dordrecht

De ontwikkeling van een stad en de rol van de handel daarin kan goed geïllustreerd worden aan de hand van Dordrecht. Deze stad was van oorsprong een ontginningsnederzetting in een veengebied, waarvan de bewoning zich ontwikkelde aan weerszijden van een veenkreek. De houten woningen bevonden zich op huisterpjes. De oudste bodemvondsten uit Dordrecht dateren uit de 12de eeuw. Door de continue inklinking van het veen en de ophogingslagen bevond het loopvlak uit die tijd zich ruim zes meter onder het huidige maaiveld! In de tweede helft van de 13de eeuw zette de ontwikkeling van het stedelijke karakter van Dordrecht zich voort. Het bebouwde areaal breidde zich uit en er werd steeds meer in baksteen gebouwd. Van groot belang voor de ontwikkeling van Dordrecht was de verwerving van het stapelrecht in 1299. Vanaf dat moment moesten alle over het water aangevoerde goederen eerst in Dordrecht op de markt worden aangeboden. In de loop van de 14de eeuw kwam de stad als internationale haven tot grote bloei, omdat de haven ook door zeeschepen aangedaan kon worden. Deze bloei en het intensieve internationale handelsverkeer ter plaatse worden door de bodemvondsten weerspiegeld. Zo komt bijvoorbeeld geïmporteerd aardewerk, afkomstig uit het Rijnland, Midden-Maasgebied, Vlaanderen, Italië en Spanje, verhoudingsgewijs in de 14de en 15de eeuw in Dordrecht meer voor dan in andere steden.

De Late Middeleeuwen onderscheiden zich van voorgaande perioden door de aanwezigheid van een groot aantal historische en iconografische bronnen. Aangezien niet alles op papier werd vastgelegd of werd afgebeeld, blijft archeologisch onderzoek echter voor de Late Middeleeuwen van groot belang. Zelfs voor de periode daarna, de Nieuwe Tijd, blijft archeologisch onderzoek waardevol.