Deze literaire papyrus bevat 25 hymnen aan de god Amon, die in allerlei combinaties met locale godheden wordt geëerd. Het volgnummer wordt in de eerste en laatste regels van elke hymne genoemd.
De papyrus stamt vermoedelijk uit een tempelbibliotheek, waar de hymnen werden gezongen. Het kan ook een voorbeeldboek voor de teksten op wandreliëfs zijn geweest. De achterkant is gebruikt als logboek van een vrachtschip dat onder Ramses II tussen Pi-Ramses en Memphis voer.
19de dynastie (ca. 1250 v.Chr.), Sakkara, h. 38 cm
Alleen al door zijn formaat kenmerkt deze papyrus zich als een zeer belangrijk handschrift. De bladspiegel van 38 cm hoogte bewijst dat we hier te maken hebben met een onversneden rol zoals die uit de werkplaats van de papyrusmakers kwam. In het Nieuwe Rijk gebruikten de Egyptenaren voor de meeste literaire of administratieve teksten rollen die in de hoogte waren gehalveerd; voor brieven werd zelfs vaak een 'kwarto'-formaat gekozen.
De voorzijde van de papyrus is beschreven met vijf (oorspronkelijk zes) kolommen van regelmatige hiëratische tekens. Deze tekst loopt op de achterzijde door in nog een laatste kolom. Zwarte inkt is gebruikt voor de lopende tekst, rode inkt voor de aanhef van nieuwe passages en voor de zogenaamde verspunten die de tekst indelen. We hebben hier namelijk te maken met een literaire compositie, ingedeeld in strofen van telkens twee regels met ongeveer dezelfde lengte.
Opnieuw gaat het hier om hymnen, in dit geval gericht aan de god Amon. De naam Amon betekent 'de Verborgene' (zie ook dit artikel) en duidt op de onzichtbaarheid van de alomtegenwoordige goddelijke invloed. Als oppergod van de religieuze hoofdstad Thebe verwierf Amon zich in de loop van het Nieuwe Rijk de positie van hoofdgod van het Egyptische pantheon. Vele andere goden werden door hem overvleugeld of gemakshalve aan hem gelijkgesteld; men noemt dit verschijnsel syncretisme. Als Amon-Rê kreeg hij het karakter van een zonnegod, als Amon-Kamoetef vertoonde hij de vruchtbaarheidsaspecten van de god Min, als heer der schepping werd hij met Ptah in verband gebracht. De hymnen maken dankbaar gebruik van deze associaties en roepen Amon aan in al zijn vormen.
De tekst is daartoe geleed in hoofdstukken met ieder een eigen thema. De hoofdstukken zijn genummerd van 1 tot 10, vervolgens van 20, 30 enzovoort tot 100, en dan met hondertallen tot 800. De eerste en laatste regel van ieder hoofdstuk vormen telkens een woordspel met het volgnummer. Zo is het negende hoofdstuk weer een echte zonnehymne, die herinnert aan eerdere composities als het Zonnelied van Achnaton en teksten uit privé-graven:
Negende Hoofdstuk De Negen Goden die uit het oerwater zijn voortgekomen, Zij zijn verzameld om u te zien, groot van aanzien, Heer der Heren, die zichzelf geschapen heeft, Heer van wie de Meesteressen beschermen, hij is de Heer. Zij die als blinden waren, hij straalt voor hen, Om hun gezichten te verlichten tot zij andere wezens zijn, Wier ogen glanzen en wier oren geopend zijn. Iedereen is bekleed met zijn stralen. De hemel is als goud, het water als lapis lazuli,De aarde is met turkoois bestrooid wanneer hij erover opgaat. De Goden kunnen weer zien, omdat hun tempels geopend worden, De mensen kunnen weer kijken door zijn aanblik. Alle bomen draaien zich naar zijn gezicht toe, Zij keren zich naar zijn Ene Oog, hun bladeren ontvouwen. De geschubde [vissen] springen op uit het water,Zij duiken op uit hun vijvers uit liefde voor hem.Al het kleinvee huppelt voor zijn aangezicht,De vogels klapperen met hun vleugels.Zij herkennen hem in zijn beste uur;Zij leven omdat zij hem dagelijks zien.Ze liggen in zijn hand gemerkt met zijn zegel,Dat geen god kan verbreken behalve Zijne Majesteit.Niemand kan handelen zonder hem,De grote god, het leven van de Negen Goden.
Wat voor functie de Leidse papyrus met Amonhymnen had is niet bekend. Vermoedelijk stamt het handschrift uit de bibliotheek van een tempel, waar dergelijke hymnen een rol speelden in de eredienst, al of niet onder begeleiding van muziek. Ook kan het een voorbeeldboek geweest zijn voor kunstenaars die dergelijke teksten op tempel- en grafwanden kopieerden. Daar zouden ze door de magie van de hiërogliefen voor eeuwig werkzaam zijn. Dergelijke kopieën zijn nooit slaafs overgeschreven: ieder afschrift is weer een variatie op oudere thema's. Zo leren de hymnen ons veel over de wijze waarop de Egyptenaren over hun goden dachten in verschillende perioden. De neiging tot syncretisme en henotheïsme ('alle goden zijn één') neemt steeds toe, zeker na de experimenten met monotheïsme uit de tijd van Achnaton.
19de dynastie (ca. 1250 v.Chr.), Sakkara
Ondanks zijn eerbiedwaardige inhoud en voorkomen werd dit stuk papyrus op een gegeven moment gebruikt als kladpapier. Op de nog grotendeels blanco achterkant heeft een Egyptische klerk aantekeningen gemaakt in een bijna onleesbaar handschrift. Het blijkt het logboek te zijn van een vrachtschip dat in het 52ste regeringsjaar van Ramses II (1239 v.Chr.) van de nieuwe hoofdstad Pi-Ramses in de oostelijke Nijldelta naar Memphis voer. De schrijver was verantwoordelijk voor de uitgifte van de rantsoenen en de registratie van de lading. Bovendien stuurde hij iedere twee dagen een ijlbode vooruit naar de eigenaar van het schip. Dit was niemand minder dan Ramses' vijfde zoon en kroonprins Chaemwaset, die in Memphis de positie van sem (hogepriester van Ptah) bekleedde. Een fragment van dit logboek luidt in vertaling: Jaar 52, derde wintermaand, dag 3. Er stond een krachtige zuidenwind. Vertrokken uit Tjada, afgemeerd in [blanco gelaten]. De wind was ook zo hard. Gegeven in broden aan de bemanning van het schip:
| de schippers van de sem-priester: | 5 man, | ieder 3 kelsj, | maakt 15 |
| de mannen van de wacht: | 8 " | "2 " | "16 |
| het personeel van de tempel: | 9 " | " " | "18 |
| de mannen van dit domein: | 12 " | " " | "24 |
| de schippers: | 2 " | " " | "4 |
| schrijver Peker: | 3 " | " " | "6 |
| dienaar Ramsesnacht: | " " | 2 | |
| gegeven ter betaling van veevoer: | " " | 5 |
totaal 92. Subtotaal 106. Samen 200, rest 2.
Vermoedelijk dienden deze notities als uitgangspunt voor een officieel eindverslag aan de scheepseigenaar. Het is te hopen dat de schrijver zijn optellingen nog eens narekende, want die kloppen niet! Misschien dat dan ook de naam van die pleisterplaats hem weer te binnen schoot die hij voor het gemak maar even blanco had gelaten. De papyrus eindigde tenslotte roemloos op de vuilnishopen van Chaemwasets kantoor, dat vermoedelijk in de nabijheid van het Serapeum van Sakkara lag.