Deze papyrus van Amon-priester Paser dateert uit een periode van restauratie van de macht in Egypte door een kleine groep militaire dictators. De teksten en vignetten zijn ouderwets en behandelen mythologische onderwerpen. Dit soort dodenpapyri wordt daarom wel 'mythologische papyrus' genoemd. Het detail toont Paser met zeven hemelkoeien tegenover de mummievormige Rê-Horachte, de ochtendzon en garant van de opstanding. Aan het einde van de papyrus staat een illustratie van een ploegende en maaiende Paser boven een scheppingsscène. De luchtgod Sjoe scheidt er de aarde (Geb) en de hemel (Noet), omgeven door de zonnebark en zielevogels.
21ste dynastie (ca. 1050 v.Chr.), Thebe, h. 40 cm
Deze papyrus behoorde aan de 'zeer geprezene van zijn god, de reine van handen van Amon in Karnak, de godsvader van Amon in al zijn verschijningsvormen, Paser'. De eigenaar leefde in een periode waarin de priesters van de Amontempel te Karnak oppermachtig waren. Sinds de Ramessiden hun hoofdstad naar de oostelijke Nijldelta hadden verplaatst was het de farao's steeds moeilijker geworden om controle te houden over Opper-Egypte. Onder de laatste farao's van de 20ste dynastie heerste in Thebe in feite anarchie. De koningsgraven werden leeggeroofd door georganiseerde bendes die met de locale burgemeester onder één hoedje speelden. Tegelijkertijd waren er invallen van Libische huurlingen. Het waren de Thebanen zelf die orde op zaken stelden. Rond 1080 v.Chr. greep een familie van militairen er de macht, een positie die zij legitimeerden door zich tot hogepriester van Amon te laten uitroepen. In naam bestuurden zij het Thebaanse gebied slechts namens de farao's van de 21ste dynastie, die in deze Derde Tussenperiode resideerden in Tanis in de Delta. In de praktijk waren de hogepriesters goeddeels eigen baas. Sommigen gingen zelfs zo ver om hun naam in een cartouche te schrijven. Dat is niet zo gek als het lijkt, omdat er vele onderlinge huwelijken werden gesloten tussen de Thebaanse priesters en de koninklijke familie in Tanis. In feite was er sprake van een clan van militaire dictators die de touwtjes in handen had.
De Amonpriester Paser behoorde zeker niet tot deze toplaag van de maatschappij. Wel profiteerde hij van het herstel van de orde en de opbloei van de welvaart in de godsstaat van Amon. Zijn dodenpapyrus is dan ook uitgevoerd op het luxe-formaat van 40 cm hoogte en is 3,65 m lang. De tekst is geschreven in rode en zwarte inkt, maar voor de vignetten zijn bovendien de kleuren wit-geel, blauw en groen gebruikt. Opvallend is dat de vignetten meer plaats innemen dan de tekst. Bovendien zijn er naast de traditionele vignetten die we al uit het Nieuwe Rijk kennen, ook enkele die pas onder de 21ste dynastie in zwang raakten. Meestal zijn dat ingewikkelde composities van mythologische aard; we spreken dan ook van mythologische papyri, als onderscheid met de gewone dodenboekpapyri, die in deze periode ook nog steeds gemaakt werden. Terwijl de Dodenboeken nu overwegend in het hiëratisch werden geschreven, hebben de mythologische papyri nog de ouderwetse hiërogliefen. Deze waren in deze tijd voor de meeste schrijvers al moeilijk leesbaar, en Pasers handschrift stikt dan ook van de schrijffouten.
De mythologische Papyrus van Paser leest van rechts naar links; ook dat is een innovatie van de 21ste dynastie, want de oudere dodenboeken van het Nieuwe Rijk waren gewoonlijk retrograde geschreven van links naar rechts (vgl. het dodenboek van Ra). Karakteristiek is ook het openingsvignet, dat bestaat uit een afbeelding van de god Osiris tronend in een schrijn of kiosk. De god wordt geflankeerd door zijn zusters Isis en Nephthys. Aldus manifesteert Osiris zich als koning van het dodenrijk. Links staan Paser en zijn vrouw Tare(re)t afgebeeld, terwijl zij de god aanbidden en hem een omvangrijk offer brengen. De tussenliggende tekst bevat hoofdstukken 141 en 142 van het Dodenboek, een spreuk
om de namen te kennen van de goden van de zuidelijke hemel en de noordelijke hemel, de goden die in de holen wonen en de goden die naar de onderwereld brengen (...) en de namen van Osiris te kennen in alle plaatsen waar hij wil zijn.
De betreffende namen staan uitgeschreven in drie rijen boven elkaar.
Zo ligt de nadruk in deze inleiding vrij eenzijdig op Osiris. De volgende afdeling (zie afbeelding boven) is daarentegen gewijd aan de verering van de zonnegod. We zien Paser in een volgende kapel, waarvan de deuren wijd openstaan. Hij staat voor een mummievormige figuur met valkenkop. Blijkens het bijschrift is dit de god Rê-Horachte, de personificatie van de ochtendzon. Net als Osiris wekte deze god bij de Egyptenaren de hoop om de dood te kunnen overwinnen. Na iedere nacht volgt immers weer een nieuwe dag waarin de zon opkomt. Men speculeerde dat de zon 's nachts door het dodenrijk van Osiris reisde en zelfs één werd met Osiris. Tussen Rê en Osiris bestond dus eigenlijk geen onderscheid: ze waren twee aspecten van één god, want zonder dood kan er geen leven zijn. Dit soort gedachten leefden vooral in het Thebaanse priestermilieu van de Derde Tussenperiode. Pasers vignet toont achter de zonnegod nog zeven hemelse koeien en een stier, vier stuurriemen van de zonnebark, en een aantal goden. Dit is de gebruikelijke illustratie bij Spreuk 148 van het Dodenboek. Opvallend is dat de bijbehorende tekst toch weer retrograde staat geschreven; deze begint namelijk boven het vignet van het biddende echtpaar verder naar links.
21ste dynastie (ca. 1050 v.Chr.), Thebe
Het linker uiteinde van de Papyrus van Paser draagt bovenaan een afbeelding van een waterweg, waarover de dode in een bootje vaart. Op de oever is Paser bovendien aan het ploegen, hij maait graan en trekt vlasstengels uit. Dit is een afbeelding bij Spreuk 110 van het Dodenboek, een beschrijving van het Offerveld en het Rietveld waarin de dode door landarbeid zelf voor zijn levensonderhoud zorgt. Daaronder is een mythologische voorstelling geschilderd. We zien hier de schepping van de wereld: het moment namelijk waarop de luchtgod Sjoe een scheiding aanbrengt tussen de aardgod Geb en de hemelgodin Noet. Over het hemelgewelf vaart de zonnebark. Twee zielevogels en de dode zelf zijn bij deze gebeurtenis aanwezig. Dit vignet is onbekend in de gewone dodenboeken maar was bijzonder populair op mythologische papyri en op de rijk beschilderde mummiekisten van deze periode. Ook van Paser is zo'n mummiekist bekend, die nu in het Louvre wordt bewaard. Het type van de kist is goed dateerbaar; zo kunnen we ook voor het handschrift een datering in de vroege 21ste dynastie vaststellen.