De wereld ontstond volgens de Egyptenaren toen Atoem oprees uit het Oerwater. Pas toen hij het godenpaar Sjoe en Tefnoet voortbracht kwam er diversiteit in de wereld. Daarom was het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk voor de Egyptenaren iets fundamenteels. Godinnen worden net zo belangrijk als goden.
Het rechterbeeldje toont de godin Moet, echtgenote van Amon, Koning-der-Goden. Haar symbolen zijn de gier en de dubbele kroon van Egypte. De godin links is Neith, die de kroon van Neder-Egypte draagt. Zij gold als een strijdbare godin, vergelijkbaar met de Griekse Athene. De godin in het midden is de kattengodin Bastet. Die draagt de attributen van muziek, zang en dans, waar zij de beschermvrouwe van is. De vierde figuur, met leeuwinnenkop, is Wadjet, dochter van zonnegod Re. Zij staat tegen een obelisk en symboliseert de zonnestraling, die vijanden vernietigt en plagen kan verspreiden. De holle obelisk stelt niet alleen een bundel zonnestralen voor, maar vormt ook een sarcofaagje voor een ichneumon.
Late Periode of Ptolemaeëntijd (7de-1ste eeuw v.Chr.), Egypte, h. Wadjet 28 cm
Volgens de Egyptische mythologie bestonden er vóór de schepping slechts vier oer-elementen: Duisternis, Oneindigheid, Verborgenheid en het Oerwater. Het ene element was echter nog niet van het andere te onderscheiden, alles was één en ondeelbaar. Toen verrees uit het oerwater een Scheppergod, die meestal Atoem genoemd wordt en een aspect van de zon vertegenwoordigt. Daarmee kwam aan de oersituatie een einde, maar alles was nog steeds één en ondeelbaar. Pas toen Atoem een zoon en een dochter voortbracht, het eerste godenpaarSjoe en Tefnoet, kwamen de veelvormigheid en diversiteit in de wereld. Daarmee begon de eigenlijke schepping. Het verschil tussen manlijk en vrouwelijk was volgens de Egyptenaren dan ook iets heel fundamenteels. Dit verklaart dat in hun godsdienstige opvattingen godinnen net zo belangrijk zijn als goden. De meeste tempels waren gewijd aan een triade of goddelijk drietal: de stadsgod, zijn gemalin en hun kind. Daarmee werd opnieuw de veelvormigheid van de schepping uitgedrukt.
Enkele van deze machtige godinnen zijn weergegeven in deze bronzen votiefbeeldjes. Rechts de godin Moet, de echtgenote van de Thebaanse god Amon. Omdat Amon vaak als Koning-der-Goden werd aangeduid, draagt Moet als zijn koningin gewoonlijk de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. In dit exemplaar rust deze kroon, waarvan de kenmerkende vooruitstekende krul is afgebroken, op een gierenkap, die op zijn beurt de zware, driedelige strengenpruik bedekt. De haarstrengen en de detaillering van het gierenlijf zijn alleen in incisie aangegeven. Alleen de gierenkop op het voorhoofd is in reliëf uitgewerkt. In het hiërogliefenschrift werd de naam van Moet, wat 'moeder' betekent, geschreven met het teken van een gier. De gier geeft bovendien aan dat de godin wel met de hemel werd geassocieerd, terwijl deze vogel ook het heilige dier was van de godin Nechbet van el-Kab, de beschermvrouwe van Opper-Egypte. Moet is dan ook een typisch Opper-Egyptische godin. Haar beroemdste heiligdom lag naast de Amontempel van Karnak, omgeven door een hoefijzervormige vijver. De godin draagt een nauwsluitend gewaad en hield ooit attributen in de handen. Op de basis staat een inscriptie voor een zekere Amenirdis, de zoon van Tesjennefer en Heriwadjet.
De godin links, Neith, is een typisch Neder-Egyptische godin en draagt dan ook de 'rode' kroon van dit landsdeel. Ook hier is de kwetsbare krul verloren gegaan. Neith was de stadsgodin van Saïs, waar de farao's van de 26ste dynastie (664-525 v.Chr.) oorspronkelijk vandaan kwamen. Onder dat koningshuis kenden de stad en de cultus van Neith een grote opbloei. De Griekse geschiedschrijver Herodotos, die een eeuw later Egypte bezocht, geeft een levendige beschrijving van het jaarlijkse feest van de godin, het belangrijkste religieuze festival van de Delta, waarvoor duizenden pelgrims samenstroomden naar de tempel van Neith. De godin is in dit beeldje voorgesteld als vrouw in een nauwsluitend gewaad. In tegenstelling tot het votiefbeeldje van Moet, dat de typisch vrouwelijke stand met de voeten naast elkaar vertoont, stapt Neith op mannelijk-actieve wijze met de linkervoet voorwaarts. Neith, wier naam met twee samengesnoerde bogen wordt geschreven, gold namelijk als een strijdbare godin: de Grieken vergeleken haar met Athene. De doorboorde handen hielden weer attributen, waarschijnlijk de papyrusstaf en het anch-teken. Een der ogen bevat nog een rest inlegwerk van edelmetaal, waarschijnlijk electron, een legering van goud en zilver). Op de vier zijden van de holle basis staat opnieuw een wij-inscriptie, gericht tot Neith de Grote, de moeder van alle goden.
De figuur in het midden is de kattengodin Bastet. Haar cultus werd vooral populair toen in de Derde Tussenperiode de Delta-stad Boebastis tijdelijk politieke hoofdstad van heel Egypte werd. In de volgende eeuwen verspreidde de kattencultus zich over geheel Egypte, getuige het grote aantal begraafplaatsen van kattenmummies. Net als de bronzen beeldjes van de godin zijn deze door generaties van vrome pelgrims gewijd. Het hier getoonde bronsfiguurtje toont Bastet als vrouw met kattenkop. Ze is gekleed in een voor deze godin kenmerkend gewaad met korte mouwtjes; de bonte ingeweven patronen daarvan zijn in incisie weergegeven. In de linkerhand draagt de godin een zogenaamde aegis, een dansattribuut dat hier eveneens van een kattekop is voorzien. De andere hand heft een sistrum, een ratel, die deels is afgebroken. Beide attributen kenmerken Bastet als de beschermster van muziek, zang en dans. In feite vertegenwoordigt Bastet het gekalmeerde aspect van de geduchte leeuwin Sachmet, en de erediensten van deze godinnen waren dan ook nauw met elkaar verbonden. Het hier onder genoemde beeldje van Wadjet geeft al aan dat Egyptische godinnen in het algemeen gemakkelijk uitwisselbaar zijn. Zo stonden bijvoorbeeld in de Moet-tempel van Karnak honderden beelden van de leeuwinnenkoppige godin Sachmet opgesteld.
De laatste figuur, met leeuwinnenkop, staat tegen een obelisk en draagt een inscriptie voor de godin Wadjet. Dat is schutsgodin van de Delta-stad Boeto en patrones van Neder-Egypte. Meestal wordt ze afgebeeld als de vervaarlijke cobra of uraeus, die de farao beschermt. Als dochter van de zonnegod Re symboliseerde zij de verblindende zonnestraling, die de vijanden der goden vernietigt maar ook onder de mensen plagen kan verspreiden. In dit beeldje is Wadjet dan ook geassocieerd met de godin Sachmet van Memphis, de vrouw van Ptah, die als een strijdbare leeuwin juist deze beide aspecten belichaamt. Dit alles verklaart de leeuwinnenkop, zonneschijf en uraeusslang van de voor de rest als vrouw afgebeelde godheid. De obelisk achter haar is ook weer een bekend symbool van de zon en stelt een bundel zonnestralen voor. De obelisk is hol en diende als sarcofaagje voor een gemummificeerde ichneumon, een roofdiertje dat als heilig werd beschouwd omdat hij slangen verdelgde. Het voorwerp is aan de godin gewijd door een zekere Petamenophis.