Een van de oudste voorbeelden van een 'zitbeeld': een hoge ambtenaar, zittend op een stoel. Dit soort afbeeldingen gaat terug tot het begin van de Egyptische beschaving. Toen werd de vormentaal voor de komende 3000 jaar al vastgelegd. Voor zitbeelden werd teruggegrepen naar modellen van zulke beelden van farao's Chasechem en Djoser. Typerend is de houding van de figuur met de ene arm in een rechte hoek voor de borst en de andere gestrekt op het bovenbeen. Tussen de poten van de lage blokvormige stoel is een raamwerk van bogen afgebeeld, waarmee het in werkelijkheid gebruikte riet wordt gesuggereerd. De naam en titels van rechter Anch staan op de gespen aan het pantervel dat hij draagt. Het pantervel is de ceremoniële dracht van hoge ambtenaren en priesters.
De eigenaar van een vergelijkbaar beeld heet ook Anch, maar die is gekleed in een alledaags lendenschort.
3de dynastie, ca. 2650 v.Chr., h. 80 cm
Omstreeks 3000 v.Chr. werd het hiërogliefenschrift geïntroduceerd en de twee op dat moment bestaande Egyptische rijken, Boven- en Beneden-Egypte, werden verenigd tot één rijk. De koningen van de 1ste en 2de dynastie legden de grondslagen voor een beschaving die drieduizend jaar zou blijven bestaan. Met de 3de dynastie begon het Oude Rijk (2650-2150 v.Chr.), of, in een andere benaming: de Piramidentijd.
Egypte bereikte onder de piramiden-bouwende farao's (Djoser van de 3de, Snefroe en Cheops van de 4de en de 'zonnekoningen' van de 5de dynastie), al direct de hoogste bloei in zijn geschiedenis. De aanzetten tot deze bloeitijd, die alle volgende generaties tot in de Grieks-Romeinse tijd ten voorbeeld strekte, werden onder de farao's van de 3de dynastie gegeven. Farao Djoser liet op het woestijnplateau van Sakkara, niet ver van zijn residentiestad Memphis, de eerste grote piramide bouwen. Nog geen echte piramide met gladde zijden, maar een trapvormig bouwsel van zes treden, waarlangs de god-koning na zijn dood de hemel kon bestijgen om zich met de zon te verenigen. Dit 62 meter hoge bouwsel is het eerste bouwwerk ter wereld van steen.
De architect van de eerste piramide was Imhotep. Behalve rijksbouwmeester was hij een universeel geleerde en de eerste grote Egyptische denker en uitvinder die wij bij naam kennen. Al vroeg is Imhotep als een heilige vereerd en in de laatste eeuwen voor onze jaartelling genoot hij zelfs de cultus van een god. In zijn tijd ontwikkelde zich ook de kunstenaarscanon, het stelsel van afspraken en regels over het maken van kunst dat tot aan het eind van de faraonische beschaving van kracht zou blijven.
Volgens afspraak was het aantal beeldtypen waarover de kunstenaars konden beschikken om een mens te vereeuwigen beperkt: ze waren gebaseerd op de verschillende beroepen en ambten in de samenleving. Het type van de zittend voorgestelde hoge ambtenaar komt zeer veel voor. Voor ambtenarenbeelden stonden koninklijke prototypen model, overigens net als het geval was voor andere beeldvormen van niet-koninklijke personen. De meeste zitbeelden gaan terug op die van farao Chasechem uit de 2de dynastie en die van Djoser uit de 3de dynastie. Het grijs granieten zitbeeld van rechter Anch is een van de oudste voorbeelden in deze categorie.
Het Rijksmuseum van Oudheden bezit zich nog een ander, soortgelijk beeld, waarvan de eigenaar eveneens Anch heette. Tezamen maken ze deel uit van een groep van achttien stenen beelden van particuliere personen, met identieke kenmerken en alle uit de 3de dynastie. Het is opvallend dat de meeste exemplaren zijn gemaakt van de moeilijkst te bewerken steensoorten die men kende: graniet en dioriet. Evenals hun koninklijke voorbeelden tonen zij de voorgestelde personen zittend op een lage blokvormige stoel, met de ene arm in een rechte hoek voor de borst en de andere gestrekt op het bovenbeen. Een ander kenmerk van deze beelden is de vormgeving van de stoel. Deze vertoont aan beide zijden tussen de poten een raamwerk van boogvormige ondersteuningselementen, een nabootsing in steen van stoelen van riet en hout.
Van de twee beelden in de Leidse collectie is die van de 'gouverneur en rechter van Nechen', wat zeer oude en hoge functies waren, het best geslaagd. Is de vorm van beide beelden vrijwel gelijk, de uitvoering vertoont een wereld van verschil. Anch, de rechter, richt het hoofd iets omhoog. De beeldhouwer legt de nadruk op de weergave van hoofd en pruik. Het haar valt uiteen in twee uit strengen bestaande haarmassa's op het midden van het hoofd. De man draagt een pantervel, een ambtsgewaad exclusief voor priesters en hoge ambtenaren. Het vel is met gespen op de schouders bevestigd. Op deze gespen staan de titels en de naam van de voorgestelde persoon. De naam Anch, wat 'leven' betekent, wordt met het gebruikelijke levensteken geschreven. In tegenstelling tot de schrijfwijze op het beeld van de andere Anch vindt men hier nog een extra hiëroglief: die van een kakkerlak, waarvan de klankwaarde eveneens Anch zou zijn. Dezelfde combinatie van tekens staat ook op een ander beeld van dezelfde functionaris in het Louvre, mogelijk een pendant van het Leidse exemplaar.
3de dynastie, ca. 2650 v.Chr., h. 62 cm
Het andere beeld is uit een blok roodachtig graniet gehouwen. Het laat zien dat het de beeldhouwer nog nauwelijks is gelukt om de figuur uit de steenmassa los te maken: stijf en stram staart de man voor zich uit. Het ietwat te grote hoofd met de ronde, onbewerkte pruik, is direct op de plompe romp geplaatst, de linkerarm is tegen de borst geklemd, de rechter ligt gestrekt over het rechterdijbeen met de geopende handpalm op de knie. De kleding bestaat uit een sober lendenschort, de dagelijkse dracht in deze periode. Aan de voeten is weinig aandacht besteed, wat kenmerkend is voor veel Egyptische beelden. De naam en titel staan op het schort. De herkomst van beide beelden is onbekend. Of Anch, de rechter, dezelfde is als de eigenaar met dezelfde naam en titel van een graf in Beit Challaf bij Abydos is onzeker, omdat de naam Anch tijdens het Oude Rijk vrij algemeen was.