Hatsjepsoet ('De Eerste onder de Edele Vrouwen') is een van de bekendste vrouwen uit de Egyptische geschiedenis. Ze regeerde 21 jaar, eerst samen met haar schoonzoon Thoetmosis III, op wiens naam ze ook haar regeringshandelingen stelde, later alleen. Na haar dood viel ze in ongenade: haar naam werd weggehakt en haar beelden vernield. Van de vele tempelbeelden van Hatsjepsoet zijn er heel wat bewaard gebleven, merendeels uit een afvalplaats vlak bij haar graftempel, dat door het Metropolitan Museum in New York werd opgegraven. Het Rijkmuseum van Oudheden heeft een torso, die hoort bij een kop van het Metropolitan Museum. De beide onderdelen van het beeld zijn weer verenigd en het beeld zal afwisselend in Leiden en New York te zien zijn. De koningin draagt de koninklijke hoofddoek en is als vrouw weergegeven. Andere beelden stellen haar als man voor, compleet met rituele koningsbaard.
18de dynastie (ca. 1465 v.Chr.), h. torso 53 cm
Koningin Maatkare Hatsjepsoet ('De Eerste onder de Edele Vrouwen') is, na Nefertiti en Cleopatra, de bekendste vrouw uit de Egyptische geschiedenis. Haar regentschap ten behoeve van de jonge koning Thoetmosis III, haar zogenaamde usurpatie van de faraotroon en de haar toegedachte relatie met Senmoet, minister en opvoeder van haar dochter, inspireerden moderne auteurs tot geromantiseerde beschrijvingen van haar leven en werk. Hatsjepsoet, een dochter van farao Thoetmosis I en koningin Ahmose, was gehuwd met haar halfbroer Thoetmosis II. Het echtpaar had een dochter, prinses Nefroere. Na de dood van Hatsjepsoets man werd het jonge prinsje Thoetmosis, een kind van een andere vrouw, de concubine Isis, tot farao uitgeroepen.
Een 'mariage de raison' met zijn halfzusje Nefroere moest het koningschap van Thoetmosis III een wettige basis geven. Hatsjepsoet nam voor de jonge farao, volgens goed gebruik, als regentes de regering waar. Gedreven door ambitie en in de overtuiging, op grond van beschikkingen van haar vader Thoetmosis I en orakeluitspraken van de god Amon zelf, dat zij rechtmatig handelde, zette ze na enige jaren haar regentschap om in een co-regentschap. Kort voor het zevende regeringsjaar van Thoetmosis III liet ze zich ook tot farao uitroepen. Ze nam de faraotitulatuur (inclusief het epitheton 'Stier'!) aan en schroomde niet zich ook de gebruikelijke koninklijke attributen, kunstbaard en kronen, aan te meten. Hoewel ze met deze opzienbarende manoeuvres tegen de tradities in handelde, kan haar daad niet worden aangemerkt als een usurpatie van het koningschap. De gebeurtenissen uit haar regering liet zij dateren naar de regeringsjaren van Thoetmosis en deze trad zelf op bij officiële en ceremoniële gelegenheden. Met diplomatie en tact verzekerde Hatsjepsoet zich van de steun van de machtige priesterschap van Amon. Die stond onder leiding van hogepriester Hapoeseneb. Haar trouwste bondgenoot schijnt echter Senmoet te zijn geweest, topminister en opvoeder van haar dochter Nefroere, met wie hij in verscheidene beelden samen is vereeuwigd. Senmoet was ook de schepper van Hatsjepsoets graftempel te Deir el-Bahri. De koningin heeft 21 jaar geregeerd, waarvan 15 jaar samen met haar schoonzoon Thoetmosis III. Omstreeks diens 22ste regeringsjaar verdween ze van het toneel. Voor een gewelddadig einde van haar leven bestaat geen bewijs. Wel werd na haar verdwijnen gepoogd iedere herinnering aan haar te elimineren door haar beelden te vernielen en haar naam uit de inscripties te verwijderen.
Voor de kunst uit haar tijd stonden de culturele prestaties van het Middenrijk model. Het bekendste voorbeeld is de graftempel die de vorstin naast die van farao Nebhepetre Montoehotep uit de 11de dynastie in het dal van Deir el-Bahri liet bouwen. Hatsjepsoet liet voor zich zelf twee graven maken. Het eerste, dat zij nog als echtgenote van Thoetmosis II had laten voorbereiden, heeft ze opgegeven. Als farao liet ze een grafkamer uithakken in het grafcomplex van haar vader Thoetmosis I in de koningsvallei (Graf K.V. 20). Daar teruggevonden zijn een oorspronkelijk voor haar bestemde, maar voor haar vader aangepaste sarcofaag van geel kwartsiet en een tweede, cartouchevormige sarcofaag van hetzelfde materiaal voor haar zelf. Of ze er ook werkelijk in is bijgezet is niet zeker. Van de voor haar gemaakte grafinventaris is, behalve een houten kistje, nog maar één voorwerp bewaard gebleven: een granieten lijkbeeldje (shabti). Dit bevindt zich in het Museum Meermanno Westreenianum te 's-Gravenhage.
Er zijn veel tempelbeelden van Hatsjepsoet bewaard gebleven. De meeste zijn bij opgravingen van de Amerikaan Winlock in een steengroeve vlakbij de esplanade van de graftempel van de koningin terug gevonden. Ze zijn daar waarschijnlijk al kort na haar dood, dus tijdens de regering van Thoetmosis III, letterlijk gedumpt, na opzettelijk beschadigd of zelfs kort en klein geslagen te zijn. Een groot aantal van deze beelden bevindt zich thans in het Metropolitan Museum of Art te New York, waaraan de vinder, Winlock, was verbonden. Van een van die tempelbeelden bezit het Rijksmuseum van Oudheden de torso. Deze werd samen met een ander koningsbeeld in 1869 in Egypte verworven door prins Hendrik en is in 1928 door koningin-moeder Emma aan het museum geschonken.
Het stuk is van rood gevlekt graniet. De bij deze torso passende delen, waaronder de kop, zijn uit de pas later door Winlock ontdekte bergplaats te voorschijn gekomen. Inmiddels zijn alle delen van het beeld weer samengevoegd. Dit fraaie zitbeeld van de koningin zal voortaan beurtelings in New York en Leiden worden opgesteld. De koningin draagt de koninklijke hoofddoek of nemes. Het is opmerkelijk dat ze hier als vrouw is weergegeven. Andere beelden laten haar in mannengedaante zien. compleet met rituele koningsbaard. Ook de inscriptie op de rugpijler refereert aan Hatsjepsoet als vrouw: 'De Goede Godin [in plaats van God] Maatkare'.