Rond 900 v.Chr. begon men in Egypte mummiehulzen, of cartonnages, te maken. Met behulp van een mal werd een nauwsluitende huls van in Arabische gom gedrenkt linnen gemaakt. Deze werd gestuct, om de mummie heen getrokken en op de rug dichtgesnoerd met veters. De cartonnage werd beschilderd in allerlei kleuren, vaak ook met bladgoud overtrokken.
De cartonnage van priester Panehsy is een kenmerkend exemplaar. De beschilderingen hebben een algemeen beschermende betekenis. Ze bestaan uit een beperkt aantal gevleugelde godenfiguren en hiërogliefen en zijn helder ingedeeld. De achterkant is versierd met een djed-pijler, het symbool voor duurzaamheid en eeuwig voortbestaan.
22ste dynastie (ca. 925-850 v.Chr.), Thebe, l. 178 cm
Aan het begin van de 22ste dynastie, onder de regering van koning Osorkon I (924-909 v.Chr.), zien we in Thebe de eerste cartonnages verschijnen. Tijdens de voorgaande dynastie bestond een complete set lijkkisten nog uit twee kisten met deksels plus een apart derde deksel dat als een platte plank direct op de mummie lag (zie Mummiekist van Amenhotep). Deze plankdeksels werden nu niet langer gemaakt. Daarvoor in de plaats kwam een nauwsluitende huls van gelijmd linnen en stuc, die samen met de houten kisten de mummie bescherming bood.
Dergelijke cartonnages werden vervaardigd door rond een mummievormige mal (waarschijnlijk van klei en stro gemaakt) een aantal lagen in Arabische gom gedrenkt linnen te wikkelen. Aan de rugzijde liet men een opening in de vorm van een langgerekte spleet en ook aan de voetzolen was de huls open. Nadat men de afzonderlijke lagen goed had laten drogen, nam men de huls van de mal af. Vervolgens werd hij zowel van binnen als van buiten met witte stuc afgewerkt, waarin sommige details van de decoratie in reliëf werden aangegeven. De huls werd daarna om de mummie heen getrokken en met veters aan de achterkant dichtgesnoerd. In de opening onder de voeten zette men een houten plankje. Ten slotte volgde dan de rijke beschildering in bonte kleuren, waarbij ook het gebruik van bladgoud heel gebruikelijk was. Dergelijke cartonnages bleven in zwang tot het einde van de 8ste eeuw v.Chr.
De cartonnage van de priester van Amon Panehsy (zijn naam betekent 'de Nubiër') is een goed voorbeeld van deze mummiehulzen uit de vroege 22ste dynastie. In plaats van het gewemel van kleine scenes en motieven van de kisten uit de voorafgaande periode zien we hier een heldere indeling in een aantal grote eenheden. Terwijl de decoratie van de 21ste dynastie sterk geïnspireerd werd door vignetten uit het Dodenboek en de andere funeraire literatuur, ligt hier de nadruk op een klein aantal symbolen met algemene beschermende betekenis. Niet langer Osiris, maar de zonnegod in al zijn aspecten staat daarbij centraal. Zo prijkt op het hoofd van de overledene de scarabee van Chepri, de jonge ochtendzon die de dood heeft overwonnen.
Het gezicht van de dode heeft de gouden glans die de goden kenmerkt en ook pruik en baard wijzen weer op zijn identificatie met Osiris. De schouders worden beschermd door bloemkraag en stola. Op de borst spreidt een valk beschermend zijn vleugels uit; het dier draagt de ramskop van de zonnegod in zijn nachtelijke aspect, wanneer hij geïdentificeerd wordt met de ba van Osiris (het woord ziel wordt in het hiërogliefenschrift ook met een ram geschreven). Op de kop van dit dier zien we de gouden zonneschijf, waaruit de vogel feniks tevoorschijn treedt. Op de buik van de mummie ligt een tweede valk, de zon in zijn dag-aspect oftewel Re-Horachte. Samen symboliseren zij de cyclus van dag en nacht, of leven en dood, waarin de dode hoopt te worden opgenomen. De rest van het lichaam is door middel van horizontale en verticale tekstbanden ingedeeld in een aantal afzonderlijke scenes; deze banden hebben een rand met verenpatroon, en vleugels domineren ook de tussenliggende velden. Zo staan tussen de twee valken de vier Zonen van Horus afgebeeld; daaronder breiden Isis en Nephthys hun wieken uit. Op de benen is een kunstig vlechtwerk van vleugels te zien, waarbij dezelfde twee godinnen als de Grote en de Kleine Wouw de hoofdrol spelen. Op de voeten liggen de twee jakhalzen van Wepwawet of de Opener der Wegen, een oude dodengod die de overledene naar het hiernamaals zal geleiden. Rond de voeten loopt een fries van hiërogliefen met de betekenis alle leven en almacht, terwijl op de voetzolen de Apis-stier is geschilderd. Dit heilige dier, de aardse incarnatie van de god Osiris, draagt de mummie van Panehsy op zijn rug. De achterzijde van de huls toont het losse paneel waardoor de mummie naar binnen geschoven kon worden. Het is versierd met een grote weergave van de zogenaamde djed-pijler, een teken van onduidelijke oorsprong dat als symbool van duurzaamheid en eeuwig voortbestaan aan Osiris was gewijd. Het werd vaak met diens ruggengraat geïdentificeerd en staat dus niet toevallig op de achterzijde van de cartonnage.
Behalve deze huls bezat Panehsy bovendien een drietal houten lijkkisten die als een stel Russische poppetjes in elkaar pasten. Vergeleken met de cartonnage zijn deze uiterst sober van decoratie, met weinig meer dan een kraag en een kolom tekst om het egaal gekleurde oppervlak te doorbreken. De buitenste kist heeft weer de zwarte kleur die in Egypte als symbool van opstanding en nieuw leven gold. Van Panehsy wordt in Leiden verder een kanopenkist met vier massieve lijkvazen bewaard. Daarmee is dit een kenmerkend ensemble van de 22ste dynastie. Helaas weten we niets over de ligging van Panehsy's graf. Zijn titels wijzen op een herkomst uit Thebe, waar veel graven van deze periode zijn ontdekt achter het Ramesseum, de grote dodentempel van farao Ramses II (1290-1224 v.Chr.) aan de voet van het Thebaanse gebergte. Wellicht moeten we ook Panehsy's graf in die omgeving situeren.