printen     versturen    

Fayoem-portretten

Dankzij ontginningen was de oase rond het zoetwatermeer Fayoem vanouds een bloeiende streek. In de Romeinse tijd bestond er een eigen traditie van mummiemaskers: levensechte portretten die met warme was op houten plankjes waren geschilderd. De impressionistische stijl is eerder Grieks-Romeins dan Egyptisch.

De portretten zijn waarschijnlijk nog tijdens het leven van de modellen geschilderd. Na hun dood werden ze op echt Egyptische wijze op het hoofd van de mummie gelegd. De meeste Fayoem-Egyptenaren moesten het echter zonder geschilderd portret stellen.

RMO
Romeinse keizertijd (eind 2de-begin 3de eeuw na Chr.), h. 35,3 cm

De oase Fayoem kende in de Grieks-Romeinse tijd een ongekende bloei. De vruchtbaarheid van dit district berust op het grote zoetwatermeer, dat in de Koptische tijd Pa-yom 'de Zee' werd genoemd: Fayoem. Via het Jozefskanaal staat het in verbinding met de Nijl. Al de farao's van het Middenrijk begonnen hier grootscheepse droogleggingen en ontginningen, die tot doel hadden landbouwgrond te winnen op de eerst door het water overstroomde terrassen. Na verwaarlozing van het ingenieuze systeem van dijken en sluizen vanaf het Nieuwe Rijk vatten de Ptolemaeïsche vorsten de taak van hun voorgangers weer met hernieuwde kracht op. Het waterniveau werd aanzienlijk teruggebracht en op de drooggevallen grond rond het meer en de irrigatiekanalen verrezen vele nieuwe steden. Het gebied kreeg een bevoorrechte status. Naar Arsinoë, de vergoddelijkte gemalin van koning Ptolemaios II, heette de Fayoem voortaan 'Arsinoïtische gouw'. Ook in de Romeinse tijd bleef de streek welvarend. Pas aan het eind van de 3de eeuw na Chr. raakte het irrigatiesysteem andermaal in verval en begon de woestijn weer op te rukken.

De bewoners van deze Grieks-Romeinse steden lieten zich begraven in ondiepe, soms met kleisteen afgezette kuilgraven, meestal aan de randen van de Fayoem of op natuurlijke hoogten waar de grond droog bleef. In 1887 werd bij er-Roebayat aan de oostzijde van de oase een dergelijke begraafplaats gevonden door lokale plunderaars. Daarbij ontdekte men voor het eerst dat deze graven vaak een heel bijzonder type van mummieportretten bevatten, die sindsdien als Fayoem-portretten bekend staan. Een groot aantal van de portretten uit er-Roebayat (en later mogelijk ook van andere vindplaatsen) kwam in handen van de Weense verzamelaar Theodor Graf. Deze had een goed gevoel voor publiciteit: hij liet foto's van de stukken circuleren en organiseerde verkooptentoonstellingen waar zeker negentig portretten van eigenaar verwisselden. Na Grafs dood in 1903 werden nog eens tweehonderd exemplaren in zijn nalatenschap ontdekt, die nu ook over de hele wereld zijn verspreid. Ook bij opgravingen elders in de Fayoem, met name die van Flinders Petrie in Hawara (iets ten zuiden van er-Roebayat), zijn portretten aan het licht gekomen. Totaal zijn er tegenwoordig meer dan 750 bekend.

Ook het hier getoonde portret van een oudere man stamt uit de verzameling Graf. Het maakt direct duidelijk waardoor deze vondsten zo bijzonder zijn. De Fayoem-portretten zijn allen op houten plankjes geschilderd. De verf is daarop aangebracht door de pigmenten met hete was te vermengen. Deze encaustische (Grieks voor 'ingebrand') schildertechniek zorgt voor een prachtig, halfdoorschijnend effect waarbij de kleuren door de eeuwen heen hun natuurlijke helderheid en intensiteit bewaren.

De schildertrant heeft niets meer gemeen met de Egyptische stijl. In plaats van de geïdealiseerde en leeftijdloze uitbeelding van een type zien we hier de realistische weergave van een individu. De effen vlakken met hun louter symbolisch bepaalde kleur hebben plaats gemaakt voor impressionistische overgangen tussen de verschillende tinten. De driedimensionale modellering met behulp van licht en schaduw kenmerkt de tradities van de klassieke schilderkunst. De overledene is niet langer in strikt frontaal aanzicht afgebeeld, maar staat iets gedraaid. De witte chiton met purperen biezen van de geportretteerde past in het Griekse modebeeld. Ook de haar- en baarddracht volgen de gewoonten van het Griekse oosten van het Romeinse rijk.

Variaties in stijl, techniek en mode maken het mogelijk de verschillende portretten ruwweg te dateren. De vroegste voorbeelden stammen waarschijnlijk uit het begin van onze jaartelling, terwijl de laatste aan het eind van de 4de eeuw zijn ontstaan. De honderden bewaard gebleven Fayoem-portretten tonen een grote verscheidenheid van mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden. Hun individuele trekken maken het zeer waarschijnlijk dat ze althans voor een deel naar het leven geschilderd zijn. We nemen dan ook aan dat het merendeel van deze portretten ooit een plaatsje had in de huizen van de rijke stadsbewoners.

Na de dood van de afgebeelde persoon werden de plankjes van de muur genomen, bijgezaagd en op het hoofdeind van de mummie bevestigd, opgenomen in de buitenste laag linnen windsels. Want hoe gehelleniseerd de bewoners van deze vruchtbare oase ook waren, ze bleven vasthouden aan de duizenden jaren oude grafgebruiken van de inheemse bewoners, waarin de vervaardiging van een mummie centraal stond. Pas het edict van keizer Theodosius, dat in 392 de oude heidense erediensten verbood, maakte waarschijnlijk een eind aan deze gewoonten.

RMO 
Romeinse keizertijd (eind 2de eeuw na Chr.), h. 34 cm

Ook het andere getoonde portret is uit de voormalige verzameling van Theodor Graf afkomstig. Het stelt een vrouw voor in een paarse tuniek met zwarte schouderbanden en daarover een eveneens paarse himation (mantel). Om de hals draagt zij een rode band met daaraan een hanger met parels, in de oren gouden oorringen die eveneens met parels zijn versierd. Daarmee wordt direct duidelijk dat dit soort portretten alleen voor de bovenlaag van de maatschappij bestemd was. Het merendeel van de op de begraafplaatsen in de Fayoem gevonden mummies moest het stellen zonder deze ongetwijfeld zeer kostbare beeltenissen.

 

Rijksmuseum van Oudheden