Vooral in het Egyptische Middenrijk werden beeldjes van nijlpaard en in graven meegegeven. Nijlpaarden moeten een constante bedreiging voor de vruchtbare Nijloevers hebben gevormd. De nijlpaardjacht was dan ook een populair tijdverdrijf. Afbeeldingen van dit dier hielpen de dode waarschijnlijk symbolisch bij jachtpartijen in het dodenrijk. Seth, de god van het kwaad en de chaos, werd afgebeeld als nijlpaard.
Dit nijlpaardje van faience is in een mal gemaakt en blauw geglazuurd (in het vochtige milieu van het graf verkleurde dat vaak blauwgroen). Het is beschilderd met waterplanten en een net. De poten zijn uit bijgelovige voorzorg afgebroken. De zittende leeuw met het beschermingsamulet 'sa' tussen zijn voorpoten symboliseert de goddelijke almacht. De leeuw staat daarmee ook voor de goddelijke mens, de farao.
Middenrijk, ca. 1850 v.Chr., l. 20 cm
Beeldjes van dieren komen al in de prehistorie als bijgiften in graven voor. Vele exemplaren moeten de functie van amulet gehad hebben. Aan sommige dieren werden krachten toegeschreven die de doden konden beschermen tegen bedreigende en vernietigende machten. Ook maakte men beeldjes van dieren die de mens in het hiernamaals als huisdier gezelschap hielden of als voedselproducent dienden, precies als bij het leven op aarde. Vooral in het Middenrijk is de variëteit aan diersoorten die in de vorm van miniatuurbeeldjes in de graven aanwezig zijn, opvallend groot: men zou er een oudegyptische dierentuin mee kunnen samenstellen. Beeldjes van honden, katten, apen, kalveren en lammeren, maar ook van leeuwen, krokodillen en nijlpaarden, en zelfs van de amusante woestijnspringmuis, zijn in rotsgraven in Midden- en Boven-Egypte in groten getale bij opgravingen aan het licht gekomen.
Kwamen beeldjes van nijlpaarden in prehistorische graven al regelmatig voor, tijdens het Middenrijk schijnt de plaatsing van nijlpaardplastiekjes in het graf onmisbaar te zijn geweest bij de samenstelling van de grafinventaris. Pas aan het eind van de 17de dynastie schijnt aan dit gebruik een einde gekomen te zijn. In de prehistorie vormden de formidabele dikhuiden een constant gevaar voor de mens. Door hun onstuitbare vraatzucht en logge en zware tred vernielden zij de spaarzame graan- en akkerbouwoogsten. In het Oude Rijk was het harpoeneren van nijlpaarden een spannend en tegelijk lucratief tijdverdrijf. Op de reliëfs van de mastaba-graven is de nijlpaardenjacht een geliefd thema: de sportlievende, rijke grafbezitter vaart met zijn volgelingen in wankele papyrusbootjes door de Nijlmoerassen en harpoeneert daar nijlpaarden alsof het een lieve lust is. De jacht leverde bovendien grote hoeveelheden vlees op en de tanden van de slachtoffers dienden als materiaal voor statuettes, amuletten en huishoudelijke artikelen. In de tempelriten van het late Egypte speelde de farao, als Horus, de rol van de goddelijke jager. Met een speer doorsteekt hij het nijlpaard Seth, de god van het kwaad en belichaming van de chaos. Het ligt voor de hand de nijlpaardplastieken in de graven van het Middenrijk te verklaren als 'instrumenten' om de overledenen te verzekeren van de eeuwige viering van de jacht, waarbij sport en rituele handeling in elkaar overgaan.
Het is niet ondenkbaar dat de ons bekende nijlpaardplastiekjes uit een en hetzelfde atelier stammen. Ze verraden de hand van een meesterontwerper. De vorm en stand van de hippo's zijn gebaseerd op nauwkeurige waarneming van dit merkwaardige dier, dat overigens in die tijd in Egypte schaars, zo niet al verdwenen was. De beeldjes zijn in mallen gevormd van faience, een materiaal waarvan de grondstof kwarts is. Na het bakken van de ruwe producten zijn deze overtrokken met een laag glanzende, blauwe glazuur, waarop vervolgens met zwarte verf allerlei, merendeels aan de Nijlflora ontleende motieven zijn geschilderd. Daarna zijn de voorwerpen nog een keer in de oven geweest, zoals bakbarsten op vele exemplaren laten zien. Door het warme, vochtige klimaat in de grafkamers zijn de plastiekjes in veel gevallen deels of geheel groen verkleurd. De opgeschilderde waterplanten zijn ongetwijfeld bedoeld om een indruk te geven van het milieu waarin het nijlpaard leefde: de met lotus en andere waterplanten volgegroeide moerassen langs de Nijl. Dit beeldje draagt op de nek een blauwe lotus en op het achterlijf een witte lotus, terwijl op de rug, samen met knoppen, rozetten en bladranken, een ruitvormig patroon is afgebeeld, mogelijk een vangnet. De meeste beeldjes tonen het dier staand op stompe poten, met de kop vooruit, alsof het in de zon staat te soezen of plechtstatig voor zich uit staart. Soms is het dier ook liggend uitgebeeld, met de kop zijwaarts gedraaid.
Voor de Egyptenaren was een beeltenis van iets of iemand bezielde werkelijkheid. Vandaar dat ze geloofden dat ook deze nijlpaardfiguren in het graf tot leven zouden kunnen komen en zich tegen de grafbezitters konden keren. Om dat te verhinderen brak men - mogelijk tijdens het begrafenisritueel voor de grafeigenaar - de poten van de beeldjes af. Aan dit plastiekje is dat goed te zien. Veel exemplaren in musea hebben echter in modernere tijden weer nieuwe poten gekregen, omdat men niet besefte met dit antieke gebruik van opzettelijke mutilatie te doen te hebben.
Middenrijk, ca. 1850 v.Chr., h. 5,2 cm
Nog een dier dat in het leven en de kunst van Egypte een prominente rol speelde, was de leeuw. Daarin openbaarden zich verschillende goden en godinnen. In de leeuw manifesteerde zich de almacht van het goddelijke en dus ook de majesteit van de als god vereerde mens, de farao. Het beeldje van een opgerichte leeuw die een attribuut met zijn voorpoten voor zich houdt stamt ook uit het Middenrijk. Het is van donkerblauwe faience gemaakt. Zijn golvende manen zijn door lijnen aangegeven, de tekening van de vacht door stippels, alles geschilderd met zwarte mangaanverf. Het attribuut heeft de vorm en detaillering van de hiëroglief sa, wat 'bescherming' of 'amulet' betekent. Het sa-teken stelt een herdershutje van papyrusmatten voor.