printen     versturen    

Egyptische dwerggoden

In de periode van de Ptolemaeën worden in de kunst en de literatuur oude en nieuwe ideeën verenigd. Het menselijk individu en de magische werking van spreuken, afbeeldingen en amuletten nemen een belangrijke plaats in.

Het Dodenboek van de priester Nesinacht heeft opvallend heldere en lichte kleuren. De hiërogliefen staan weer in kolommen. De illustraties, of vignetten, staan er boven. Op dit fragment staan vier spreuken. De vele fouten in de tekst illustreren dat de vignetten met goden en toverwezens op de papyrusrol belangrijker waren. Toverwezens waren er ook in amuletvorm, en dan vooral van kind- en dwerggodjes. Een zeldzaam voorbeeld daarvan is dit groepsamulet, dat het Bes-kind Pataeke en het maangodje Chonsoe voorstelt.

RMO
dynastie der Ptolemaeën, 1ste eeuw v.Chr., h. 31 cm

De Dodenboekpapyrus van Nesinacht dateert uit de tijd dat Egypte deel uitmaakte van de Hellenistische wereld. Het land werd toen bestuurd door farao's uit het Huis der Ptolemaeën, afstammelingen van de Macedonische generaal Ptolemaios. Deze had in het jaar 304 v.Chr. als Ptolemaios I Soter de troon van Egypte bestegen. Met de dood van de beroemde koningin Cleopatra VII, in 31 v.Chr., kwam de Ptolemaeïsche dynastie ten einde. Egypte ging als privé-domein van de Romeinse keizer op in het grote Romeinse Rijk.

In de Egyptische kunst van deze tijd zijn invloeden van de Griekse kunst en religie waarneembaar. Kenmerkend is de samensmelting van oude en nieuwe ideeën, een verschijnsel dat zich in het ontstaan van nieuwe goden en wezens openbaart. Sommige daarvan zijn samengesteld uit elementen van verschillende, al lang bestaande, faraonische goden. In de kunst en literatuur treedt nadrukkelijker dan in de voorafgaande perioden het menselijk individu op de voorgrond. Ook wordt meer dan ooit een beroep gedaan op de magische werking van spreuken, afbeeldingen en amuletten.

De Dodenboekrollen uit de Griekse en later Romeinse periode, de laatste exemplaren in dit genre die in Egypte zijn gemaakt, bevatten een aantal nieuwe, zuiver magische spreuken. Die noemden de Egyptenaren zelf 'spreuken die zijn ontleend aan een ander boek, om het Boek van het Uitgaan bij Dag aan te vullen'. Typerend voor het late Dodenboek, zoals de papyrus van de priester Nesinacht laat zien, is het gebruik van heldere, lichte kleuren, zoals lichtgroen en vooral roze. Evenals tijdens het Nieuwe Rijk schreef men de hiërogliefen weer in kolommen, in tegenstelling tot de vorige periode, de Late Tijd (712-332 v.Chr.), toen de teksten in horizontale regels werden uitgeschreven. De kostbare papyrusrol is waarschijnlijk uit Thebe afkomstig, de uitgestrekte necropolis tegenover de huidige stad Luxor. De illustraties - bij het Dodenboek spreekt men van vignetten - voeren letterlijk en figuurlijk de boventoon, want de spreuken zijn meestal in verkorte versie weergegeven en wemelen van de schrijffouten en vergissingen. Op het uitgekozen fragment staan de teksten en vignetten van vier spreuken. Dat zijn, van rechts naar links, de Dodenboekspreuk en 163, 164, 165 en 162. De Thebaanse god Amon en een aantal vreemde, hybridische wezens die met hem in verband worden gebracht, zijn de belangrijkste machten van wie Nesinacht in het hiernamaals bescherming verwachtte. Spreuk 163 is bedoeld

om te verhinderen dat het lichaam van een mens teloor gaat in het rijk van de doden, om hem te redden van degene die de zielen verslindt en die de mensen gevangen houdt in de onderwereld.

In de spreuk wordt verder voorgeschreven, als een gebruiksaanwijzing, wat in het vignet is te zien:

Woorden uit te spreken over een slang op twee benen, dragende een zonneschijf en twee horens; twee heilige ogen [in het vignet staat er maar een!] staan daarvoor, voorzien van twee benen en twee vleugels.

De drie naakte, vlezige dwerggodjes in het midden moesten er volgens spreuk 164 voor zorgen dat het vlees en de beenderen van de dode intact zouden blijven 'zoals van iemand die niet dood is'. De middelste figuur is een vorm van de godin Moet, de echtgenote van Amon. Zij is driekoppig: rechts de kop van de leeuwinnengodin Pachet, in het midden een mensenhoofd, en links een gierkop met twee pluimen. De dwerggod links is verwant aan de god Bes. Hij heeft, zoals de tekst ook zegt: 'de kop van een valk en de kop van een mens, hij houdt een flagellum omhoog en is voorzien van een fallus'. De figuur met dubbele verenkroon heeft het hoofd van een man, het lijf van een scarabee en de rug van een vogel. Hij is Amon, die volgens Spreuk 165 de opdracht had het lichaam in goede staat te houden.

Behalve als afbeeldingen in het Dodenboek stonden deze toverwezens, vooral de kind- en dwerggodjes, de gebruikers ook in de vorm van kleine beeldjes ter beschikking. Dergelijke amuletstatuettes zijn meestal van groene of blauwe faience gemaakt, en zijn in grote aantallen bewaard gebleven. Het zijn evenzovele pogingen van de tovenaar-handwerksman om de alomtegenwoordige god Amon-Re, 'De Verhevene en Grote Verborgene, wiens openbaringen verborgen zijn en wiens echte vorm geheim is', voor de gelovigen tastbaar te maken.

Een zeldzaam groepje van dergelijke beeldjes is een amulet, waarin het Bes-kind Pataeke en het maangodje Chonsoe zijn gecombineerd. Het stukje is van lichtgroene faience. Op het rugvlak staan twee van de vele, raadselachtige namen van dezelfde, ongrijpbare god Amon: ' Licht-Scarabee-Edele ' en 'Lotus-Leeuw-Ram '.

RMO
Dynastie der Ptolemaeën, h. 6 cm