printen     versturen    

Dodenboek van Ra

Dit Dodenboek, dat uit twee fragmenten bestaat, is van de schrijver Raëmwaset, of kortweg Ra. De kolommen moeten, anders dan normaal, van links naar rechts gelezen worden. Dat symboliseert de reis van de dode van oost naar west.

Elk dodenboek bestaat uit een selectie van in totaal rond 162 bekende spreuken die de dode in staat stelden zijn graf naar believen te verlaten. De afzonderlijke spreuken bevatten tevens hulp en aanwijzingen om de vele obstakels en gevaren in het dodenrijk te overwinnen.

Dit fragment toont Ra in aanbidding voor de beschermster der doden Hathor, in de vorm van een zwanger nijlpaard, en de koegodin Mehetweret.

rmo
19de dynastie (ca. 1300-1250 v.Chr.), Sakkara, h. 32 cm

Het dodenboek van Ra is in zijn huidige vorm nog 6,10 meter lang. Het bestaat uit twee gehavende stukken en zal oorspronkelijk dus een grotere lengte gehad hebben. De tekst staat uitgeschreven in zwarte cursieve hiërogliefen, de spreuktitels daarentegen in rood. De hiërogliefen zijn geordend in kolommen en zijn naar rechts gericht, net als de figuren in de illustraties. Kenmerkend voor veel handschriften van het dodenboek is dat de leesvolgorde van de kolommen onderling desondanks van links naar rechts verloopt; men noemt dit retrograde. De reden hiervoor is dat het woord voor 'links' ook 'oost' kon betekenen, en 'rechts' was 'west'. Zo symboliseert de leesrichting de reis van de dode naar het westelijke dodenrijk. Langs de bovenrand van de papyrus is een strook gereserveerd voor de illustraties of vignetten. Af en toe beslaan ze de gehele hoogte van het blad.

Ra was schrijver van de offertafel van de Heer der Beide Landen. Een vignet toont hem dan ook met zijn schrijfattributen. Deze hebben niet de in het Nieuwe Rijk gebruikelijke vorm. Zo is het palet zelf nauwelijks groter dan de twee inktblokjes; de pennen steken in een apart kokertje en hangen samen met het watervaasje op de rug. Samen vormen deze drie attributen de hiëroglief voor 'schrijver' en dat is ongetwijfeld de reden waarom ze hier zo zijn afgebeeld. Op de keerzijde van de papyrusrol loopt over de volle lengte een enkele regel met forse hiëratische schrifttekens. Deze geeft een opsomming van allerlei gunsten die de dode in het hiernamaals hoopte te ontvangen. Alleen hier staat zijn naam voluit geschreven als Raëmwaset ('Rê is in Thebe'), de zoon van de rechter Iry. Ra was dus slechts een afkorting. Zijn titel luidt hier schrijver-boekhouder van de offers van alle goden in Opper- en Neder-Egypte. Twee vignetten op de voorzijde tonen ook Ra's vrouw, Bary, zangeres van Amon.

Het Griekse woord hiëroglyphoi betekent 'heilige ingegrifte tekens'. Toch werden deze schrifttekens aanvankelijk helemaal niet voor godsdienstige teksten gebruikt (zie voorbeelden op een vaas en op een kruikstop). Het schrift diende slechts de behoeften van het dagelijks leven. Pas aan het eind van de 5de dynastie vinden we de eerste religieuze opschriften in de grafkamers van farao Oenas (2356-2323 v.Chr.). Deze zogenaamde Piramideteksten zijn toverspreuken die de farao moesten helpen de dood te overwinnen en zich een plaats in het hiernamaals te verwerven. Ten tijde van de volgende dynastie werden de teksten ook in de piramiden van koninginnen aangebracht, terwijl de democratisering van de Eerste Tussenperiode en het Middenrijk ertoe leidde dat ook gewone burgers kopieën opeisten. Die werden met inkt op de binnenwanden van de lijkkisten uitgeschreven en we spreken dan van de Sarcofaagteksten.

Het Dodenboek van het Nieuwe Rijk maakt gebruik van de oudere tekstbestanden, onder toevoeging van vele nieuwe spreuken. Van een boek in onze zin van het woord is geen sprake. Het zijn immers geen ingebonden boeken maar lange rollen papyrus, voorzien van illustraties, die meestal op de mummie gelegd werden. Ook missen de handschriften een vaste indeling. Ieder afschrift bevat weer een andere keuze uit het totaal van zo'n 162 bekende spreuken. Pas in de Ptolemaeëntijd ontstonden er handschriften met een complete selectie in vaste volgorde; één papyrus uit die periode is door de Duitse egyptoloog Lepsius gebruikt om de spreuken te nummeren. Die nummers zijn dus niet authentiek Egyptisch. Wel had iedere spreuk zijn eigen titel, meestal in rode inkt geschreven.

Het Dodenboek als geheel heette Het boek betreffende het uitgaan bij dag en stelde de dode dus in staat zijn graf naar believen te kunnen verlaten. Zo opent het dodenboek van Ra in zijn huidige vorm met een spreuk waarmee de dode zich kon veranderen in een lotusbloem (Spreuk 81). Dan zien we Ra en zijn vrouw Bary in aanbidding voor de rechters van het dodengericht , dat iedere Egyptenaar in het hiernamaals wachtte. De bijbehorende Spreuk 125 zorgde ervoor dat hij het gericht goed doorstond, door hem te souffleren wat hij moest zeggen. Hier breekt het eerste papyrusfragment af. Het tweede start met spreuken om de dode te voorzien van toverkracht, zijn hart, naam en hoofd, adem en voedsel (Spreuken 24, 27, 30, 25, 43, 38 en 53). Vervolgens komt een aantal formules die moesten garanderen dat de dode zich vrijelijk kon bewegen in het dodenrijk van Osiris (Spreuken 119, 118 en 117).

De Egyptenaren hadden grote angst in het hiernamaals de grote slang Apophis tegen te komen, die zich kon manifesteren als een plotselinge zandbank onder het schip van de zonnegod. Daarom bevat Ra's dodenboek een aantal spreuken om slangen te verdrijven en om zich een goede veerboot te verschaffen (Spreuken 40, 39 en 99). Opvallend is dat de naam van Apophis steeds in rode inkt geschreven is, hier opgevat als de kleur van het kwaad. Na een spreuk om niet een tweede keer te sterven volgt een uitgebreide beschrijving van de veertien heilige heuvels van het dodenrijk (Spreuken 44 en 149), een soort reisgids die ervoor moest zorgen dat Ra veilig in het hiernamaals aankwam.

rmo
19de dynastie (ca. 1300-1250 v.Chr.), Sakkara, h. 32 cm

Het laatste vignet beslaat de hele bladhoogte en toont ons Ra in aanbidding voor twee godinnen. Het bijschrift luidt: Het aanbidden van Hathor, meesteres van het Westen, het kussen van de grond voor Mehetweret door de Osiris, de schrijver van de offertafel van de Heer der Beide Landen in Opper- en Neder-Egypte Ra, oprecht van stem in vrede. Hij zegt: Ik ben tot U gekomen om Uw schoonheid te zien. Moge U geven dat ik aan het hoofd van Uw volgelingen sta en tot Uw bemanningsleden behoor! De Osiris Ra, oprecht van stem. Hathor is voorgesteld als zwanger nijlpaard, met de staart van een krokodil en menselijke borsten. Op haar hoofd staat een zonneschijf tussen koehorens; in de handen houdt de godin een (rode) toorts en een levensteken (anch). Achter haar ligt de koegodin Mehetweret, met om haar hals een aantal sieraden die normaal met Hathor worden geassocieerd. Nijlpaard en koe zijn hier slechts twee aspecten van dezelfde godin: Hathor als bron van alle leven (het nijlpaard Taweret), die beschermt tegen het kwaad (de rode toorts en rode uitgestoken tong), patrones van de begraafplaats (de bergwand waarop de godinnen staan afgebeeld) en van de opstanding uit de dood, de hemelkoe wier met sterren bezaaide buik het uitspansel vormt. Door deze machten te aanbidden zal Ra zijn doel bereiken. Zijn verre reis door de gevaren van de onderwereld, gesymboliseerd door de lange papyrusrol, is ten einde en het hemelse dodenrijk ligt voor hem open.