Dit fragment uit de Papyrus Insinger bevat een serie van 25 levenslessen en vermaningen uit het begin van de jaartelling. Het is een voorbeeld van een Oudegyptische 'wijsheidsleer', een literair genre dat in Egypte al vanaf het Oude Rijk bestond. Wijsheidsleren werden vooral in het onderwijs gebruikt. Uit deze papyrus blijkt hoe levend de Egyptische traditie na 3000 jaar nog was, en hoezeer aangepast aan de eisen van de tijd.
De ethiek is gebaseerd op de maät, de evenwichtige wereldorde, maar ook berusting in het Lot speelt een grote rol. Het voortbestaan van traditionele waarden blijkt ook uit het nog latere grafbeeld van een jongeman die zich tooit met de attributen van een Oudegyptische schrijver.
| Papyrus Insinger, Romeinse keizertijd (1ste eeuw na Chr.), Thebe (?), hoogte: 30 cm, Rijksmuseum van Oudheden. |
Wijsheidsleren vormden in Egypte een oude traditie. Uit het Oude Rijk stammen de levensleren van Djedefhor, Kagemni en Ptahhotep, uit het Middenrijk onder meer de leren van Merikare, Amenemhat en Chety, uit het Nieuwe Rijk die van Ani en Amenemope. Ze werden in het hiëratisch overgeleverd op talrijke papyri en ostraka, omdat ze in het schoolonderricht werden gebruikt. Naast de hiëratische wijsheidsleren zijn er ook demotische. De meeste daarvan zijn kort en slecht bewaard. Van de vier langere is die van de Papyrus Insinger de belangrijkste. Het handschrift stamt uit de 1ste eeuw na Chr. en de basistekst zal niet veel ouder zijn.
De Papyrus Insinger bewijst dat de Egyptische beschaving ten tijde van de eerste keizers nog springlevend was. Ogenschijnlijk was Egypte een Romeinse provincie als ieder ander geworden. Het stond zelfs onder speciaal toezicht van een keizerlijk prefect, omdat het land vanwege de rijkdommen aan graan van vitaal belang was voor de economie en politiek van Rome. Ondanks dat intensieve Romeinse bestuur bleven de Egyptenaren hardnekkig trouw aan hun eigen goden, schriftsysteem, levenswijze en grafgebruiken. Het traditionele onderwijssysteem zorgde ervoor dat de toekomstige notabelen voeling bleven houden met de ethische leefregels van het verleden. Deze waren echter wel degelijk met hun tijd meegegaan, en daarom is de Papyrus Insinger zo interessant als getuige van die omslag in het denken.
Traditioneel richtte in dit soort wijsheidsleren een koning of hoge ambtenaar het woord tot zijn zoon of leerling. De proloog van de Papyrus Insinger is helaas grotendeels verloren gegaan. Helemaal aan het eind wordt echter een gebed uitgesproken voor een zekere Phebhor, de zoon van Djedherpaän. Mogelijk is hij de auteur van deze papyrus. De wijsheidsleer is verdeeld in vijfentwintig genummerde hoofdstukken, met aan het eind van elk een opgave uit hoeveel regels het bestaat. Door deze innovatie voorkwam de auteur dat latere kopiïsten de tekst zouden verminken door de volgorde te veranderen, een lot dat andere wijsheidsleren veelvuldig trof. leder hoofdstuk heeft een eigen thema, dat wordt opgebouwd in (meestal tweeregelige) strofen. De laatste strofen van een hoofdstuk geven een soort samenvatting en conclusie. Een voorbeeld is het (korte) hoofdstuk dertien, dat waarschuwt voor verkeerde vrienden:
De dertiende les:
Vertrouw niet op een dief, opdat je niet in ellende terecht komt. Beter een slang in huis dan dat een dwaas er in- en uitgaat.Wie met een dwaas omgaat, wordt aangetrokken tot misdaad. Wie met een dwaas mens leeft, sterft in de gevangenis.De vriend van een dwaas is zelfs in zijn slaap diens bondgenoot. De daden van een dwaas schaden zelfs zijn eigen broers. Een krokodil schaadt in zijn woede zelfs zijn goddelijke broers. Als een dwaas vuur maakt, komt hij te dichtbij en brandt zich.Als een dwaas mens ruziet, komt hij te dichtbij en wordt geveld.Als een dief steelt, krijgen zijn metgezellen de klappen. Wie met een wijze meeloopt, wordt met hem geprezen. Maar wie met een dwaas voorbij komt, laat stank op straat achter.Er is hij die ellende ontmoet, omdat hij een dwaas heeft ontmoet. En er is hij die hem vermijdt, maar toch uit onwetendheid tot misdaad komt. Dat is iemand die niet omgaat met een dwaas, en toch door dwaasheid te gronde gaat. Het is geen wijs mens die een ander de weg wijst. Want lot en toekomst, het is God die beschikt.Totaal: 17.
Dit fragment toont naast deze vernieuwingen in de vorm ook nieuwe elementen op inhoudelijk gebied. Terwijl eerdere wijsheidsleren vaak opvoeden in correct politiek gedrag of maatschappelijke etiquette, legt de Papyrus lnsinger de nadruk op ethiek. Deze werd in Egypte bepaald door het begrip maät , de door de goden gewenste wereldorde die zich zowel in de natuur als in de maatschappij manifesteert. De papyrus contrasteert steeds de 'wijze' en de 'dwaze' en toont het gevolg van hun handelen. De wijze is geduldig, eerbiedig, gematigd en verstandig; hem wacht geluk en welvaart. De dwaze is zorgeloos, onbetrouwbaar en onmatig, en zal daardoor slechts ongeluk en gebrek kennen. Nieuw is echter dat de auteur reëel genoeg is om te erkennen dat het in de praktijk ook wel eens anders loopt: zelfs wie de dwaas mijdt, komt soms tot kwaad. Dat komt dan doordat mensen gepredestineerd kunnen zijn of met het Lot te maken krijgen. Beide factoren zijn ook van goddelijke oorsprong, net als maät. De mens doet er verkeerd aan dit te willen begrijpen of een ander 'de weg te wijzen'. Men moet slechts accepteren en berusten. Deze levenshouding kan men opvatten als de Egyptische reactie op de politieke tegenslagen van de voorgaande eeuwen.
| Grafbeeld uit de 3de eeuw na Chr., el-Behnasa, Egypte, hoogte: 130,2 cm, Rijksmuseum van Oudheden. |
Rijksmuseum van Oudheden