printen     versturen    

Rafaels koopakte

Dit perkamentblad bevat een koopakte uit 1042 voor een huis van Rafael in Dasjloet, door getuigen ondertekend. De akte komt uit een archief met elf andere stukken. Daaruit zijn de verdere lotgevallen van Rafael te volgen: aankoop van bouwgrond en een bakkerij, graanleningen en handel met andere dorpen. De Kopten werden door de Arabieren zeker niet onderdrukt en kwamen tot grote welstand. Uit de teksten spreekt echter een geleidelijke arabisering, evenals geringe kennis van de Koptische taal en het bijbehorende schrift. Alleen in de kerken de kloosters blijven die in gebruik. Maar een tweetalig manuscript uit 1786 laat zien dat ook daar, na 5000 jaar Egyptische taal, een einde aan moest komen.
RMO
Koptische periode (1076 na Chr.), Dasjloet, h. 25,6

Dit Koptische document is niet langer geschreven op papyrus maar op perkament, een schrijfmateriaal dat is gemaakt van geitenhuid. De huid werd eerst in kalkwater geweekt en onthaard, om vervolgens opgespannen op een raamwerk te drogen. Na een behandeling met aluin was de huid houdbaar, soepel en blank van kleur. De naam perkament is afgeleid van de stadPergamon op de Turkse westkust. Het verhaal gaat dat de stad in de 2de eeuw v.Chr. ruzie kreeg met de Ptolemaeën van Egypte en werd getroffen door een handelsboycot. Om het acute gebrek aan perkament te omzeilen, perfectioneerden de inwoners de oude gewoonte om op leer te schrijven. Zo vonden ze het perkament uit.

Het afgebeelde perkamentblad is afkomstig uit een privé-archief, dat waarschijnlijk is gevonden in een woonhuis in de stad Dasjloet (dichtbij Assioet in Midden-Egypte). In vertaling luidt de tekst:

In de naam van God. Het begin van alle zaken. Ik, Soetyrche, de zoon van Apollo, inwoner van Dasjloet, schrijf dit en stem er uit vrije wil mee in te spreken, terwijl ik in leven en welzijn ben, sterk van lichaam en geest. Ik verklaar inzake het genoemde huis ten noorden van (het klooster van) Apa Syrnyentyake: ik heb het verkocht aan Rafael, de zoon van de diaken Mina, wonende te Bawit, voor geld namelijk 8 solidi, waarbij ik verder niets meer tegoed heb. Ik heb het geld uit zijn hand ontvangen. Ik heb hierover geen verdere vordering jegens hem, zowaar als de Heer mijn getuige is. De zuidgrens is Apa Syerny. De westelijke grens is het huis van Theodoor, de zoon van Emnakroben. De grens in het oosten is het huis van Soesinne. De noordgrens is het huis van Myrkoere. Dit zijn alle kanten. Vandaag is het de 28ste Tobe van het jaar 420.

Ik, Amos de zoon van de diaken Johannes, ik heb het neergeschreven zoals hij het mij met zijn eigen tong vertelde en ik ben getuige ervan. Ik, Petros, (de zoon van) Pigosj, ben getuige van wat in het document staat (Jaar) 420. Ik, Daniël, (de zoon van) Apollo, ben getuige van wat in het document staat, in het jaar 420. Ik, Michael, de zoon van Soesinne, ben getuige van wat in het document staat, in dit jaar 420. Ik, Apoelchair, (de zoon van) Apollo, ben getuige van wat in het document staat, dit jaar 420. Ik, Victor, (de zoon van) Soesinne, ben getuige van wat in het document staat in 420. Ik, Plothe, (de zoon van) Theodoor, ben getuige van wat in het document staat. Het jaar 420.

Dit is het oudste document uit het archief van Rafael, dat totaal een elftal koopakten, testamenten en andere waardevolle papieren bevatte. Omdat alle documenten een precieze datum dragen, kunnen we Rafaels leven helemaal volgen. De gebruikte jaartelling is die van de Arabische overheersers van Egypte. Deze start met Mohammeds vlucht naar Medina in 622 na Chr.; het genoemde jaar 420 komt dus overeen met 1042 in onze jaartelling. In dat jaar komt Rafael, de zoon van een hulppriester (diaken) uit het vijf kilometer zuidelijker gelegen Bawit naar Dasjloet waar zijn broer Gabriël al als diaken werkzaam was. De zoon van Rafael koopt er een huis naast het locale klooster van Apa Syrny. Onder de getuigen van de koopakte zijn twee broers van de verkoper, twee broers van de rechter- en een van de linkerbuurman. Het goed leesbare handschrift van Amos met zijn versierde 'hoofdletters' contrasteert sterk met de hanepoten van de getuigen! Vervolgens zien we Rafael geleidelijk fortuin maken. Hij wil graag verhuizen naar een plek naast het huis van zijn broer Gabriël en ontdekt dat zijn eigen buurman Soesinne daar bouwgrond bezit. In 1045 en 1050 slaagt hij erin deze lapjes grond te verwerven en bouwt hij er een nieuw huis; in 1052 koopt hij bovendien een bakkerij met de complete inventaris voor het niet geringe bedrag van 30 solidi. Een solidus was oorspronkelijk een Byzantijnse gouden munt van 4,55 gram; in Rafaels tijd was deze al lang vervangen door de ongeveer even zware Arabische dinar. Door deze investering is Rafael voortaan een gezien man die anderen graan kan lenen en handelscorrespondentie voert met de dorpen in de omgeving. In 1076 maakt Rafael tenslotte zijn testament ten behoeve van zijn drie zoons Tobias, Agathon en Pisrael.

Dit alles toont wel aan dat de Kopten in deze periode zeker niet onderdrukt werden door de Moslims en tot grote welstand konden komen. Toch stond hun eigen cultuur wel degelijk onder grote druk. Dat verraden de bewoordingen van de contracten, die Arabische invloed laten zien (In de naam van God is het equivalent van het Arabische bismillah). De vele schrijffouten wijzen erop dat deze mensen in het dagelijks leven al Arabisch spraken en schreven, zoals ook wordt aangetoond door de aanwezigheid van een brief in het Arabisch in Rafaels archief. Alleen voor dit soort notariële akten grepen Rafael en zijn dorpsgenoten terug op de taal van hun voorvaderen. Ook onze notarissen schrijven immers niet bepaald de spreektaal van onze eigen tijd!

Uiteindelijk raakte op deze manier de Koptische taal en het bijbehorende schrift in onbruik. Alleen in de Koptische kerk en in de vele kloosters, die op wonderbaarlijke wijze wisten te overleven tot op de huidige dag, bleef men zich van de kerktaal bedienen. Voor de eredienst werden als voorheen Koptische bijbeledities, psalteria, liturgieën en gebedenboeken vervaardigd. Daarnaast bleven ook de heiligenlevens en de apocriefe boeken populair. Alle teksten werden met de hand afgeschreven en verlucht met kleine ornamentele decoraties in de marge, net zoals we dat kennen van onze Europese Middeleeuwen.

In deze handschriften zien we geleidelijk twee nieuwe ontwikkelingen opkomen. In de eerste plaats maakte het perkament gaandeweg plaats voor papier, een nieuw schrijfmateriaal dat de Arabieren door hun verovering van voormalig Chinese gebiedsdelen in het oosten hadden leren kennen. Ten tweede is aan de handschriften te zien dat zelfs de priesters en monniken moeite kregen met de Koptische taal. Vanaf de 14de eeuw verschijnen er daarom toelichtingen en later zelfs complete vertalingen in het Arabisch in de marge van de boeken.

RMO
1786 na Chr., h. 10,5 cm

Dit is zo'n tweetalig manuscript. Het is een uitgave van psalmteksten voor gebruik in de liturgie. Het oorspronkelijk in leer gebonden boekje meet 10,5 bij 7,5 cm en is gedateerd in het jaar 1502 van de Tijdperk der Martelaren, oftewel 1786 van onze tijdrekening. Bovenaan de bladzijde staan de opschriften Jezus Christus en Zoon van God , alsmede een bladzijnummer; er zijn 277 genummerde pagina's. In het vlechtbandornament is nog iets van de middeleeuwse traditie van boekverluchting te zien. Met de opkomst van het gedrukte boek in dezelfde periode kwam er een definitief einde aan een periode van vijfduizend jaar waarin er handschriften werden geproduceerd in de talen en schriften van Egypte.