Het vroegste glaswerk ter wereld stamt uit circa 1500 v.Chr. uit het Nabije Oosten. Snel daarna wordt glazen vaatwerk in meer landen populair, waaronder in Egypte. Het oudste Egyptische glas werd gemaakt onder farao Thoetmosis III, in de 15de eeuw v.Chr. Dit vroege glas was een nabootsing van edelstenen, zoals turkoois en lapis lazuli. In het Nieuwe Rijk werd glazen vaatwerk gebruikt om zalfjes en oliën in te bewaren.
Dit cosmeticaflesje wordt ook krateriskos genoemd, wat 'klein mengvat' betekent. In een mengvat werd wijn aangelengd met water. Deze vorm was een van de populairste voor glazen vaatwerk van zijn tijd, samen met de imitatie van de Egyptische palmzuil uit de architectuur. Een voorbeeld van dat laatste is het langwerpige flesje, waarin mascara werd bewaard.
ca. 1400-1360 v.Chr., h. 12 cm
Vaatwerk van glas komt vanaf ca. 1500 v.Chr. voor in verschillende gebieden in het Nabije Oosten, o.a. in Noord-Syrië en Mesopotamië. Dit vroegste glazen vaatwerk, gemaakt in de zandkerntechniek, was ongetwijfeld zeldzaam en kostbaar. Er zijn maar een paar complete exemplaren bekend en enige scherven. Daar komt echter snel verandering in. Binnen een eeuw ontwikkelen zich productiecentra in ver uit elkaar liggende gebieden. In Egypte komt al in de 15de eeuw v.Chr. de productie van glazen vaatwerk goed op gang. Omdat de eerste glasovens uit deze periode in Egypte zijn teruggevonden, onder meer in Tell Amarna door de archeoloog W.M. Flinders Petrie in 1892, meende men aanvankelijk zelfs dat de productie van glazen vaatwerk in Egypte begonnen was. Dit idee heeft men laten varen toen later bleek dat de oudste exemplaren uit het Nabije Oosten afkomstig waren.
Tegenwoordig neemt men aan dat de kunst om vaatwerk van glas te maken ontwikkeld is in Syrië of Mesopotamië, waar de oudste exemplaren teruggevonden zijn. In Egypte dateert het oudste glazen vaatwerk uit de regeringsperiode van de farao Thoetmosis III (1505-1450 v.Chr., 18de dynastie). Deze farao begint in 1481 grote gebieden in Azië te veroveren, waaronder Syrië tot aan de grenzen van Mesopotamië. Het is goed mogelijk dat bij deze gelegenheid Aziatische glaskunstenaars in Egypte terechtgekomen zijn. In elk geval bestaat rond die tijd glasproductie in Egypte: er zijn tenminste drie stuks vaatwerk bewaard die de cartouche van Thoetmosis III dragen. De glaskunst bloeit twee- à driehonderd jaar lang in zowel Egypte als in Mesopotamië en Syrië en er worden ook ateliers op Cyprus gesticht. Het einde van deze bloeiperiode komt rond 1200 v.Chr., met het einde van de Bronstijdculturen in het Middellandse Zeegebied.
De Egyptenaren zagen glas als een soort kunstmatige edelsteen. Het vroegste glas bootst edelsteensoorten na, zoals turkoois, amethist en lapis lazuli. De waarde was hoog: glazen vaatwerk uit deze periode wordt vrijwel uitsluitend aangetroffen in de graven van farao's. Glas is vaak toegepast in combinatie met goud, vooral als inlegwerk op de sarcofagen van farao's.
Van oudsher waardeerden de Egyptenaren exotische zalfjes en geparfumeerde olie en bewaarden die in vaatwerk van edelmetaal, steen en faïence. In het Nieuwe Rijk wordt voor het eerst ook glazen vaatwerk gebruikt. In vormen met een smalle hals bewaarde men parfum of geparfumeerde olie, zoals rozenolie, in die met een brede hals zalfachtige smeersels. Er zijn exemplaren teruggevonden die nog resten van de oorspronkelijke inhoud bevatten. Het vaatwerk werd waarschijnlijk afgesloten met een in was gedrenkt stopje zodat het goed afsloot.
Dit kleine cosmeticaflesje wordt vanwege zijn vorm ook wel krateriskos genoemd. Krateriskos is de verkleinvorm van het Griekse woord krater , dat mengvat betekent. In de krater, die meestal van brons of aardewerk was, werd wijn aangelengd met water. De sterk verkleinde versie imiteert deze vorm, maar diende om geparfumeerde olie of een exotisch zalfje in te bewaren. Het was een van de populairste vormen van zijn tijd. Dit exemplaar wordt gedateerd ten tijde van de farao's Amenhotep III en Echnaton, van de 18de dynastie, ca. 1400-1360 v.Chr.
ca. 1400-1225 v.Chr., h. 10 cm
Het stuk is afkomstig uit de zeer omvangrijke verzameling Egyptische oudheden van Giovanni d'Anastasy, die in 1828 voor Koning Willem I, te Livorno voor het Rijksmuseum van Oudheden is verworven. Tezamen met vier andere flesjes van Egyptisch zandkernglas vormt dit exemplaar het begin van de glascollectie in het RMO.
Het langwerpige cosmeticaflesje is gebruikt om mascara in te bewaren. Het wordt gedateerd in de tijd van de farao's van de 18de en 19de dynastie, Amenhotep III tot Ramses II (ca. 1400-1225 v.Chr.). Het imiteert de Egyptische palmzuil uit de monumentale architectuur. Het smalle, lange glaslichaam loopt naar de bodem iets uit, aan de bovenkant scheiden dwarslopende banden het kapiteel van de stam. Het kapiteel loopt uit in negen gestileerde bladeren. Ook dit flesje is een van de populairste vormen van zijn tijd.