Vanaf de veertiende eeuw wordt glas in Nederland massaal geproduceerd en daardoor goed betaalbaar. Vooral glazen drinkgerei kwam vaker voor, terwijl schenkglas, zoals deze fles, nog zeldzaam was. De afgebeelde glazen 'ribbelbeker' was een populair model, naast lage drinknapjes (maigeleins), 'koolstronken' en 'berkemeiers'. De decoratieve ribbels of noppen zorgden voor meer grip op het glas.
Het glas dat in de late Middeleeuwen in ons land kwam, werd veelal geproduceerd in de Duitse bossen in 'glashutten'. Niet alleen omdat hout als brandstof voor de ovens nodig was, maar ook omdat verbrande eiken- en beukenbomen een belangrijke grondstof (kaliumcarbonaat) voor het glas zelf leverden. Drinkbekers en flessen maar ook vensterglas werden van dit groenige Waldglas (woudglas) gemaakt. De latere roemer is er het bekendste voorbeeld van.
15de-begin 16de eeuw, Dordrecht, h. 38 cm
Tot aan de 14de eeuw kwam glas slechts sporadisch voor in onze streken. Het bevond zich in kerken en sierde de tafels van de elite. Aan het einde van de Late Middeleeuwen werd glas massaler geproduceerd en daardoor betaalbaar voor een grotere groep van de bevolking. Aardewerk en houten en tinnen tafelgerei bleven volop in gebruik, maar glazen voorwerpen sierden langzamerhand steeds meer tafels. Vooral glazen drinkgerei kwam vaker voor, maar glazen schenkgerei, zoals flessen, bleef nog lang zeldzaam.
Deze fles is opgegraven in Dordrecht en dateert uit de 15de of vroege 16de eeuw. De fles is hoog (38 cm), maar ook kleinere exemplaren van dit type zijn bekend. Eveneens uit Dordrecht komt de glazen beker. Het is een 'ribbelbeker' en dateert uit de 15de eeuw. Zulke bekers kwamen veel voor in de steden en werden geblazen in een mal, waarin een ribbelpatroon was aangebracht dat op het glaswerk zichtbaar is. De versiering op de laatmiddeleeuwse drinkbekers is doorgaans eenvoudig en bestaat uit ribbels, noppen en glasdraden. Deze decoratie is meestal uitgevoerd in dezelfde kleur glas als het voorwerp zelf.
Het glaswerk dat in de Nederlanden aan het einde van de Middeleeuwen op de markt kwam, was voor een belangrijk deel afkomstig uit Duitsland. Het kwam uit 'glashutten' (glasfabriekjes), die vooral in een bosrijke omgeving lagen. Hout werd toentertijd namelijk als brandstof voor de glasovens gebruikt. Er was nog een tweede reden waarom glasblazers het bos opzochten. Een belangrijke grondstof voor glas was potas (kaliumcarbonaat), dat verkregen werd door grote hoeveelheden eik en beuk te verbranden. Veel middeleeuwse glasproducten zijn uitgevoerd in dit zogenaamde Waldglas (woudglas) en zijn geblazen van een matig gezuiverde, vooral groene, glasmassa. De productie van de glashutten beperkte zich niet tot drinkbekers en flessen, maar ook vlakglas voor vensterruiten werd hier gemaakt.
15de eeuw, Dordrecht, h. 7,4 cm
In de Late Middeleeuwen zijn verscheidene typen glazen drinkbekers in omloop. Vanaf de 13de eeuw waren er bekers met een holle, trechtervormige voet, en lage kelkglazen op een hoge stengelvormige stam. In deze periode kwamen drinkglazen alleen nog bij de sociale elite voor. In de 15de en 16de eeuw kende het glas al een ruimere verspreiding. Kenmerkende typen zijn naast de ribbelbekers de maigeleins. Dit zijn lage drinknapjes, versierd met ribben of nopjes. Ook cilindervormige bekers met noppen (zogenaamde koolstronken) en berkemeiers, drinkglazen met een trechtvormige cuppa en uit glasringen opgebouwde of gekartelde standring, kwamen voor. Deze glazen ontwikkelden zich in de 17de eeuw tot de zogenaamde roemers, die vaak voorzien werden van braamnoppen. De noppen zijn niet alleen puur decoratief, maar verlenen ook een betere grip op het glas. Dergelijke glazen zijn regelmatig afgebeeld op 17de-eeuwse schilderijen met stillevens.