Geen beschaving heeft zo'n diepe indruk op tijdgenoten en latere mensen gemaakt als de Oud-Egyptische. Vooral de omgang met de dood, en dan vooral het mummificeren, heeft velen gefascineerd. De plaats van de dood in het Oude Egypte hangt samen met het Egyptische wereldbeeld.
Volgens de oude Egyptenaren is de schepping een cyclisch proces, dat nog steeds plaatsvindt. Uit de oeroceaan wordt de wereld geschapen als een heuveltje. Tijdens de jaarlijkse Nijl-overstromingen gebeurt dat telkens weer. Rondom het vruchtbare Egypte ligt nog steeds de bedreigende chaos van de woestijn. Net als de god Osiris moet ook de mens sterven om weer geboren te worden. Maar bij de dood worden lichaam, ka (levensenergie) en ba (ziel) gescheiden. De priester en de balsemer moeten die weer verenigen. Dan krijgt het individu weer goddelijke status. Die uit zich in een stralende lichtkrans, in de kunst weergegeven door goud.
De klassieke balseming en mummificatie zijn het resultaat van een lang proces. Eerst werden de doden gewoon in het hete woestijnzand begraven. De houding suggereert dat ze slapen, wachtend op een nieuw leven. Vanaf 3000 v.Chr., toen Egypte verenigd werd, weten we dat de farao verwachtte na zijn dood als de god Osiris zijn bewind te zullen voortzetten. Vandaar de grote aandacht voor de behuizingen van het lijk van de farao. Omdat het stoffelijk overschot in die grafruimtes makkelijk kon vergaan, moest het geconserveerd worden. Dat gebeurde na uitdroging van het lijk zout en soda, gevolgd door een behandeling met hars en bijenwas. Die was heette in het Perzischmumiya. Vandaar 'mummies'. In de loop der tijd werden ook gewone stervelingen gemummificeerd. De grafcultus zou in de duizenden jaren durende Egyptische geschiedenis een lange serie veranderingen laten zien.
De Leidse Egyptische collectie heeft haar basis al in de 17de eeuw, ver voor de stichting van het museum. Vooral tussen 1826 en 1835 werd er veel aangekocht. De laatste halve eeuw doet het museum zelf opgravingen in Egypte.
Inhoud
1. Het Egyptisch wereldbeeld
1.1 Schepping
1.2 De Oertijd
1.3 Osiris en Horus
1.4 Eén worden met Osiris
1.5 Lichaam en Ka
1.6 Ziel en ba
2. Ontwikkeling van de Egyptische grafgebruiken
2.1 Kuilen in het zand
2.2 Meer diversiteit
2.3 Koningen, piramides en lijkkisten
2.4 Mummificeren
2.5 een lang proces
2.6 Maskers, cartonnages en shabti's
2.7 Van piramide naar rotsgraf
2.8 Hoogtijdagen van de mummificatie
2.9 Massagraven
2.10 De Soedanese renaissance
2.11 Perzen, Grieken, Ptolemaeën en Romeinen
3. De gechiedenis van de Leidse collectie
3.1 17de eeuw
3.2 19de eeuw
3.3 20ste eeuw
3.4 Eigen opgravingen
De meeste mensen denken bij het oude Egypte onmiddellijk aan mummies. Van alles wat de Egyptenaren ons hebben nagelaten, prikkelen zij onze fantasie het meest. In talloze spookverhalen en griezelfilms spelen op hol geslagen mummies een rol. Verzinsels over 'de vloek van de farao' zijn niet uit te roeien. Gemalen mummie gold eeuwenlang als krachtig medicijn. Tal van esotherische genootschappen houden zich bezig met het bestuderen van de geheime riten der Egyptenaren. En nog steeds laten de groten der aarde zich na hun dood balsemen.
Al deze reacties zeggen echter meer over onze eigen westerse beschaving dan over de opvattingen van de oude Egyptenaren. Kennelijk worden we nog steeds bijzonder gefascineerd door de uitgangspunten die de Egyptenaren voor ogen stonden bij het vervaardigen van mummies: dat de dood te overwinnen is en dat de overledene zijn lichaam nog in het hiernamaals nodig zal hebben. Voor een goed begrip van deze uitgangspunten moeten we ons eerst verdiepen in de Egyptische opvattingen over de plaats van de mens in de schepping. De balseming stond namelijk niet op zich. Als we slechts de Egyptische mummies over hadden, zouden we waarschijnlijk heel weinig begrijpen van wat deze mensen bezielde. In Egyptische graven zijn echter naast de mummies nog vele andere voorwerpen te vinden. Samen geven ze ons een goed inzicht in het Egyptische wereldbeeld. Dan blijkt dat al deze op het eerste gezicht bizarre bijgaven slechts de logische gevolgen zijn van een religieuze denkwijze die niet de onze is.
Centraal in het Egyptische wereldbeeld staat de opvatting dat de schepping een cyclisch proces is. De wereld is geschapen uit de oeroceaan (Noen), waaruit het eerste land als een heuveltje te voorschijn kwam (een beeld dat is ingegeven door de wijze waarop het boerenland van Egypte ieder jaar weeruit de Nijloverstroming opkwam). Op deze oerheuvel ontstonden onder invloed van de zon de goden, mensen, dieren en planten; uit eenheid ontstond veelheid. De schepping blijft echter door het oerwater omringd, dat zowel bedreigende chaos als onmisbare levensbron is, en zal daar eens weer in terugkeren. De hele schepping is immers doortrokken van cyclische levensprocessen, zoals de wisseling van dag en nacht, het afnemen en wassen van de maan, het opkomen en afsterven van het gewas, of het stijgen en zakken van de jaarlijkse Nijloverstroming. Volgens de Egyptenaren moet ook de mens eerst sterven om zich door de dood te verjongen voor een volgend leven. Zonder dood is er geen leven.
Toch is de dood niet altijd op aarde aanwezig geweest. De Egyptische mythen vertellen hoe de scheppergod Atoem (vaak beschouwd als een manifestatie van de zonnegod Re) eerst de luchtgod Sjoe uitblies en de godin van het vocht Tefnoet uitspuwde. Dit godenpaar verwekte een volgende generatie, de aardgod Geb en de hemelgodin Noet, die zelf vier godenkinderen hadden: Osiris, Isis, Seth en Nephthys. Daarmee was het Negental (in het Grieks: enneade) van de oertijd compleet. Deze oertijd was een paradijselijke periode: goden en mensen woonden samen op aarde en de zonnegod Re verspreidde voortdurend zijn levenwekkende invloed. Maar de mensen beraamden weldra boze plannen tegen hun Schepper. Weliswaar werd hun opstand in bloed gesmoord, maar voortaan zagen Re en de andere goden zich gedwongen om zich in de hemel terug te trekken. Daarmee hadden geweld, dood en duisternis hun intrede gedaan in de wereld.
De zonnegod was nu oud en zwak geworden en moest iedere nacht onderduiken in het levenwekkende oerwater onder de aarde om zich te verjongen, terwijl de wereld in duisternis gedompeld wordt zoals vóór de schepping. De mensen kregen als nieuwe koning de god Osiris toebedeeld, maar ook deze was nu sterfelijk en kwetsbaar geworden. Door zijn jaloerse broer Seth werd hij vermoord, en slechts dankzij de toverkracht van zijn weduwe Isis en haar zuster Nephthys kon hij weer tot leven worden gewekt. De goden stelden hem vervolgens aan tot heerser van de onderwereld, waar ook de mensen na hun dood terechtkomen. Op aarde werd Osiris' zoon Horus de nieuwe koning, nadat deze een verschrikkelijk gevecht had geleverd tegen de moordenaar van zijn vader. Daarbij verloor hij een van zijn ogen (de maan), dat echter door de god der wijsheid Thot weer werd hersteld; deze mythe verklaart de maanfasen en het Horusoog werd alom als gelukbrengend amulet beschouwd. Ook andere levenscycli werden in de Osiriaanse sfeer gebracht door deze god te identificeren met het Nijlwater en het graan.
Zo werd Osiris het lichtend voorbeeld voor iedere Egyptenaar. Doordat hij de eerste was die de dood overwon, had hij aangetoond dat het sterven slechts de eerste fase is in de overgang naar een volgend leven in een betere wereld. Iedere Egyptenaar wilde dan ook één worden met Osiris. Om in aanmerking te komen voor deze wedergeboorte, moest echter aan een groot aantal voorwaarden worden voldaan. De eerste daarvan was wel het behoud van de integriteit van lichaam en ziel. Volgens de Egyptenaren bestaat het leven van een mens uit de unieke combinatie van allerlei verschillende aspecten, die ieder apart niet levensvatbaar zijn. Bij de dood scheiden zich deze aspecten en het was de taak van de priester en de balsemen om ze weer te verenigen, zodat een nieuw leven mogelijk wordt.
In de eerste plaats heeft een mens natuurlijk een lichaam, het stoffelijk omhulsel voor allerlei onstoffelijke faculteiten. Het lichaam wordt geschapen door de scheppergod; in bepaalde tempelvoorsteIlingen zien we hoe deze als een pottenbakker een menselijk figuurtje vormt op zijn draaischijf. Het lichaam is immers zeer aards, 'uit de klei getrokken', en blijft bij de dood op aarde (of in de onderwereld) achter. Op de draaischijf staat vaak nog een tweede poppetje, de dubbelganger of ka van een mens. Deze ka wordt in het hiërogliefenschrift geschreven als twee beschermend uitgestrekte armen; het is de beschermende genius van een mens, en tegelijk zijn levenskracht, identiteit en energie. Het is de ka van een mens die energie opdoet uit het voedsel, en deze voedselopname dient dan ook na de dood voort te gaan. Daarom brachten de Egyptenaren voedsel en drank naar de graven. Om er zeker van te zijn dat de ka niet ging dolen, richtten ze grafbeelden (of ka-beelden) op waarin deze identiteit zich thuis voelde. Tussen de beeldenkamer en de offerkapel liet men een spleet of kijkgat, waardoor de geur of levenskracht van het offer het beeld kon bereiken.
Het lichaam was echter ook de woonplaats van de ba of ziel. Gewoonlijk werd dit element als vogel weergegeven (vanaf het Nieuwe Rijk met een mensenhoofd), een zeer toepasselijke voorstelling van het kwetsbare en vluchtige karakter van de ba. Hij vertegenwoordigt het menselijk bewustzijn, dat al kortstondig wegvliegt bij schrik, verwonding of dronkenschap. Des te meer geldt dit voor de dood, wanneer de ba zijn veilige behuizing verliest en ten onder dreigt te gaan! Weliswaar wil de ba zich overdag het liefst verenigen met de hemelse machten, maar zonder de mogelijkheid 's nachts neer te strijken op het aardse lichaam is hij toch niet in staat zich op lange termijn te handhaven. Het is die beoogde vereniging van lichaam en ziel die bij de Egyptenaren de stoot gaf tot de experimenten met mummificatie. Alleen door deze periodieke vereniging van ba en mummie kreeg de dode een goddelijke status (in het Egyptisch ach), die zich uitte door een stralende lichtglans. De dode werd zo identiek met de zonnegod zelf en voer overdag langs de hemel in de zonnebark, om 's avonds onder te duiken in het oerwater of in het duistere rijk onder de aarde, waar Osiris de scepter zwaait. In toenemende mate werden Osiris en de zon ook met elkaar geïdentificeerd: de één was de ba of manifestatie van de ander en samen symboliseerden zij de onvergankelijkheid van het leven. Bij zonsopkomst is deze god Chepri, de 'wordende', die als een scarabee de zonneschijf de hemel inrolt. Overdag is hij Re of Re-Horachte ('Horus van de Beide Horizonten') die als een valk langs de hemel vliegt. 's Avonds gaat hij onder als Atoem en 's nachts is hij Osiris. Omdat ba in de Egyptische taal tevens 'ram' betekent, vinden we zo weergaven van wezens met één of zelfs vier ramskoppen.
De oudste bewoners van het Nijldal begroeven hundoden in eenvoudige kuilen in de woestijn. De lichamen hadden dus direct contact met het hete zand; soms leidde dit dank zij de uiterst droge en steriele condities tot een natuurlijke mummificatie. De aldus bewaard gebleven lichamen en de skeletten in de overige graven liggen steeds op de zij in opgevouwen houding; waarschijnlijk betekent dit dat men de dode zag als een slapende of als een embryo, dat in een andere wereld een nieuw leven wachtte. Ook enkele eenvoudige bijgaven - potten met voedsel en drank, wapens, sieraden en toiletgerei - geven aan dat men overtuigd was van een voortbestaan dat in weinig verschilde van het leven op aarde. Bij gebrek aan teksten komen we over de opvattingen van deze prehistorische Egyptenaren natuurlijk weinig concreets te weten; enkele vaasschilderingen en plastiekjes lichten wellicht een tipje van de sluier op.
In deze eerste grafvelden zijn de onderlinge verschillen tussen de afzonderlijke graven nog te verwaarlozen. Naarmate grotere gebieden van het land onder één heerser werden verenigd, nam de diversiteit echter sterk toe. Kennelijk kwamen er grotere sociale verschillen, want sommige graven zijn een stuk groter dan de andere, hebben rijkere bijgaven en laten de eerste pogingen van grafarchitectuur en -decoratie zien. In het vervolg zullen we ons voornamelijk bezighouden met de graven van deze bovenlaag van de maatschappij: de allerarmsten werden ook in de faraonische periode nog gewoon in een kuil in de woestijn begraven.
Rond 3000 v. Chr. werd Egypte onder de eerste farao's tot één rijk verenigd. Daarmee veranderde de gehele materiële cultuur van het land. Zo ontstond er vrijwel direct een monumentale bouw- en beeldhouwkunst, die met name werd ingezet om de sociale status van de koning en zijn bestuursambtenaren te onderstrepen. Nog ingrijpender was de invoering van het hiërogliefenschrift, waarmee de ingewikkelde administratie van het rijk mogelijk werd gemaakt. Aan deze innovatie danken wij ook onze kennis van de religieuze opvattingen van de Egyptenaren. Zo weten we dat de koning gold als de aardse incarnatie van de god Horus; na zijn dood zou hij als Osiris zijn bewind in het hiernamaals voortzetten. Daarom besteedden de Egyptenaren grote zorg aan het graf van de farao. Aanvankelijk had dit de vorm van een rechthoekige aardheuvel of tumulus, opgeworpen over een aantal in de rots uitgehakte grafkamers. Spoedig ontwikkelde men hieruit de beroemde piramidevorm, die vermoedelijk een bundel zonlicht symboliseert waarlangs de koning ten hemel kon stijgen. Rond het koningsgraf lagen in lange rijen de graven van zijn ambtenaren en hovelingen, die hun meester ook in het hiernamaals moesten dienen en waarschijnlijk alleen daarom in aanmerking kwamen voor opstanding uit de dood. Ten tijde van het Oude Rijk hadden deze privé-graven de vorm van een rechthoekige bank, of mastaba, waarin zich een kleine offerkapel bevindt. Hier legden de nabestaanden voedsel en drank neer voor de overledene, die zelf aanwezig werd geacht in de gedaante van het grafbeeld. Vanuit deze bovenbouw voert een schacht naar de ondergrondse grafkamers, waar de dode in zijn grote stenen sarcofaag of houten lijkkist rustte.
Met al deze zorg voor de grafarchitectuur kwam de verzorging van het lichaam zelf aanvankelijk in het gedrang. Aangezien men het lijk niet langer in het hete woestijnzand begroef, maar het bijzette in de vaak vochtige lucht van een grafkelder, was er niet langer sprake van een natuurlijk uitdrogingsproces. Vaker dan vroeger verging het lichaam volledig, en in de ogen van de Egyptenaren moet dat een gruwel geweest zijn. Vandaar dat zij besloten de natuur een handje te helpen en zelf de mummificatie ter hand te nemen. De eerste pogingen op dit gebied waren nog weinig succesvol. Door omwikkeling van het lichaam met in hars gedrenkte linnen doeken kon men weliswaar een levensecht uitziende mummiehuls vervaardigen, maar daarbinnen verging het lichaam nog even snel als tevoren. Opvallend is dat deze vroegste 'mummies' nog steeds met opgetrokken benen op de linkerzij liggen, zodat ook de lijkkisten nog niet de langgerekte vorm van later hadden. Het gezicht, en soms ook de geslachtsdelen, werden zorgvuldig in linnen gemodelleerd en soms is er ook al beschildering van details.
Het gebruik van hars, bijenwas, of een mengsel daarvan was door zijn isolerende werking zeker heel effectief om een lichaam tegen vocht te beschermen. Het gebruik van deze stoffen hadden de Egyptenaren wellicht van de bijen afgekeken, die ook kleine indringers in de korf inkapselen en daardoor conserveren met een mengsel van hars en was, propolis genaamd. In het Perzisch heet deze stof mumiya, en deze term heeft de Egyptische mummies hun naam gegeven. Een lijk zelf echter bevat veel water, en men moest daarom zoeken naar middelen om dit kwijt te raken, anders zou verrotting onherroepelijk intreden. Voor dit probleem werden twee oplossingen gevonden. In de eerste plaats ging men het lichaam behandelen met natron, een mengsel van keukenzout en soda dat in zoutmeertjes in de Libische woestijn kon worden gewonnen (ons woord natrium is afgeleid van de Egyptische term netjeri, dat 'goddelijke stof' betekent). Door het lichaam in een zoutbad te leggen of (in later perioden) met een hoop natron te bedekken, verloren de weefsels hun overtollige vocht en werden ze daardoor geconserveerd. Ten tweede ging men ertoe over de buikholte te openen en de ingewanden te verwijderen, daar deze door hun hoge vochtgehalte en de aanwezigheid van spijsverteringssappen en bacteriën vrijwel direct na het moment van overlijden de andere weefsels aantasten. Beide ingrepen werden voor het eerst onder de 4de dynastie toegepast. In het graf van koningin Hetepheres, de moeder van de beroemde farao Cheops (2551-2528 v.Chr.) die de grote piramide bij Gizeh bouwde, is een albasten kist aangetroffen, die van binnen in vier vakken was verdeeld. Daarin rustten nog vier pakketjes met ingewanden in een 3%-oplossing van natron. Latere graven hebben gewoonlijk een viertal stenen of aardewerken vazen voor de ingewandspakketten; deze zogenaamde lijkvazen worden ook wel canopen genoemd, omdat in het nabij Alexandrië gelegen heiligdom van Canopus een vaasvormig godenbeeld werd vereerd. Deze innovaties brachten ook de nieuwe houding van de mummie met zich mee, die niet langer opgevouwen maar volledig gestrekt werd bijgezet: aldus konden de balsempriesters makkelijker bij de buik- en borstholte, terwijl het lichaam ook beter droogt. Wel bleef men de mummie op de linkerzij leggen, vaak met een neksteun onder het hoofd alsof de overledene alleen maar sliep. Over de linnen weefsels bracht men soms een masker of zelfs een hele huls van stuc aan om de lichaamsvormen te reconstrueren; vaak draagt de mummie ook kleding. De lijkkisten en sarcofagen werden nu langgerekt van vorm. Vanaf de 6de dynastie voorzag men dat deel van de buitenwand waarachter het gezicht lag van twee opgeschilderde ogen; deze moesten de dode op magische wijze in staat stellen naar buiten te kijken. Meestal is deze zijde naar het oosten gericht, waar de opkomende zon de belofte van wederopstanding symboliseerde.
Overigens waren de graven van het Oude Rijk nog zeer sober ingericht. Meer bijgaven zien we in de rotsgraven die vanaf ca. 2100 v. Chr., tijdens de Eerste Tussenperiode en het Middenrijk, overal in de provincies door de plaatselijke notabelen werden uitgehouwen. Met het verval van de centrale koningsmacht werden deze lokale ambtenaren steeds belangrijker en hun verhoogde status spreekt duidelijk uit hun graven. Behalve de kenmerkenderechthoekige lijkkisten bevatten deze gewoonlijk talrijke modellen van werkplaatsen en schepen , wapens en scepters, kleding en sieraden. De mummies zijn vaak voorzien van een masker van cartonnage (gelijmd linnen met stuc), dat aan het eind van de 12de dynastie zelfs uitgroeide tot een de hele mummie omsluitende huls. De vier ingewandspakketten zitten soms in soortgelijke miniatuurhulzen, die op hun beurt in een vierkante kist waren opgeborgen; ook lijkvazen komen echter voor. Nieuw is de ontwikkeling van kleine mummievormige beeldjes, die mogelijk dienden als een reservelichaam maar later de functie van magische dienaren hebben; ze heten danshabti's. Over de religieuze ideeën van deze mensen zijn we zeer goed ingelicht door de teksten die op de binnenwanden van hun lijkkisten staan geschreven. Deze zogenaamde Sarcofaagteksten gaan terug op de toverspreuken die tijdens het late Oude Rijk voor het eerst opduiken in de piramide van koning Oenas (2356-2323 v.Chr.). Dat privé-personen zich deze koninklijke Piramideteksten toeëigenden, spreekt voor de sfeer van rebellie en democratisering die leidde tot de burgeroorlog van de Eerste Tussenperiode en die ook de gouwvorsten van het Middenrijk nog lang kenmerkte. De Sarcofaagteksten maken duidelijk dat de invloed van de Osirisverering nog steeds toenam, ten koste van oudere opvattingen waarbij de dode eerder werd geïdentificeerd met de zon of de sterren. Door toedoen van een buitenlandse inval ging ook het Middenrijk rond 1640 v.Chr. te gronde. Hoewel de Palestijnse overheersers (de Hyksos) op het gebied van technologie en bewapening voor veel vernieuwingen zorgden, is er in de ontwikkeling van de lijkverzorging geen breuk zichtbaar in deze periode. De vernieuwingen die we tijdens de Tweede Tussenperiode op dit gebied zien, zijn logische gevolgen van processen die al onder het Middenrijk hadden ingezet. Zo ontwikkelde zich de cartonnage lijkhuls tot een mummievormigehouten lijkkist, die gewoonlijk met verenpatronen is versierd. Voortaan begroef men de dode dan ook in rugligging. De canopenkisten van deze tijd volgen nog geheel de modellen van het Middenrijk, terwijl de shabti's net als de lijkkisten een zeer ruw aanzien hebben.
Toen de centrale koningsmacht door de Thebaanse gouwvorsten opnieuw gevestigd was en de Hyksos waren verdreven, brak een nieuwe periode van snelle materiële veranderingen aan. De koningen van het Nieuwe Rijk (1550-1070 v.Chr.) besloten voor hun graven de oeroude piramidevorm op te geven; in plaats daarvan lieten zij in een kloof in het Thebaanse gebergte (het zogenaamde Dal der Koningen) een rotsgraf uithakken. De wanden daarvan werden bontversierd met voorstellingen uit de religieuze literatuur van deze periode, die een soort reisgids vormen van de onderwereld en laten zien hoe de farao één wordt met Osiris en de zonnegod. Ook rijke burgers en ambtenaren van deze tijd hadden beschilderde rotsgraven. Deze zijn met name in Thebe teruggevonden, terwijl we dank zij recente opgravingen ook veel informatie hebben over de Memphitische begraafplaats bij Sakkara, waar tempelachtige bovengrondse grafmonumenten verrezen met schitterende wandreliëfs. In beide graftypen, het Thebaanse en het Memphitische, rustte de mummie van de dode als vanouds in een door een diepe schacht toegankelijke ondergrondse grafkamer.
De mummificatie nam in deze tijd een hoge vlucht. Men verwijderde nu steevast de ingewanden via een insnede in de linkerzij, waarna de buiken borstholte zorgvuldig werden opgevuld. Ook de hersenen werden nu vaak weggehaald door een gat te maken boven in de neus; deze werden echter niet bewaard omdat de Egyptenaren er geen waarde aan toekenden. Denken en voelen deed men volgens hen met het hart; daarom werd dit orgaan zorgvuldig geconserveerd in de borstholte achtergelaten. Alleen wie zonder zonden was en daardoor een licht hart had. kon het hiernamaals betreden. Het hart zou daarom door de goden gewogen worden; om zich van een goede uitspraak van de rechtbank te verzekeren, gaf men toverspreuken mee op een zogenaamde hartscarabee. Uit de Sarcofaagteksten van het Middenrijk ontwikkelden zich circa tweehonderd nieuwe toverspreuken en bezweringen, die bekend staan als het Egyptische Dodenboek. Delen daaruit werden gekopieerd op grote papyrusrollen, maar ook op shabti's en andere voorwerpen uit de grafinventaris. De mummies werden goed beschermd door mummievormige houten lijkkisten, terwijl vanaf de late 18de dynastie(1550-1307 v.Chr.) ook privé-personen vaak stenen sarcofagen hadden. In de canopenkisten valt een zelfde ontwikkeling waar te nemen. Rijke graven van deze periode bevatten veel meer bijgaven dan in enige andere periode, die echter grotendeels als dagelijkse gebruiksvoorwerpen te beschouwen zijn en niet worden gerekend tot de hier behandelde grafinventaris in engere zin.
Met de toenemende anarchie aan het eind van het Nieuwe Rijk (ca. 1070 v. Chr.) werd er steeds minder aandacht besteed aan het grafmonument zelf, dat immers niet te veel de aandacht mocht trekken omdat het dan toch maar werd leeggeroofd. Veel mummies werden eenvoudigweg bijgezet in massagraven ofcachettes, waarvoor vaak oudere grafmonumenten werden geüsurpeerd en uitgebreid. De creativiteit van de kunstenaars richtte zich nu geheel en al op de mummiekisten, papyri, shabtikisten en andere bijgaven van de overledene. Ook de mummies van deze periode zijn ware meesterstukken van technisch kunnen. De balsemtechnieken bereikten gedurende de 21ste en 22ste dynastie een absoluut hoogtepunt. Overigens werd deze periode gekenmerkt door snelle veranderingen in de 'mode'. Gedurende de 21ste dynastie (1070-945 v.Chr.) gaf men de mummie een tweetalhouten kisten met daarin nog een derde plankvormigdeksel, terwijl de 22ste dynastie de cartonnage mummiehuls weer van stal haalde. De kisten waren aanvankelijk overwegend goudgeel van kleur, maar werden vanaf 900 v.Chr. steeds soberder. In de 8ste eeuw gaf men de voorkeur aan drievoudige kisten, waarvan de buitenste en binnenste polychrome decoratie op witte achtergrond hebben. Het gebruik van canopen raakte uit de mode; in plaats daarvan stopte men de ingewandspakketten terug in de buikholte. Shabti's kende men nog steeds; hiervan werden er nu meestal zo'n vierhonderd stuks per overledene meegegeven.
Rond 720 v.Chr. werden de verschillende elkaar bestrijdende vorstendommetjes waarin Egypte geleidelijk uiteengevallen was, stuk voor stuk veroverd door de Soedanese vorst Py. Deze vestigde de 25ste of 'Ethiopische' dynastie, die zich als echt Egyptisch trachtte te legitimeren door allerlei oude gebruiken opnieuw in te voeren. Zo leidde deze Egyptische 'renaissance', die ook onder de volgende 26ste dynastie (664-525 v.Chr.) werd voortgezet, onder meer tot de herintroductie van de monumentale grafarchitectuur (meestal zeer diepe schachten en gewelfde grafkamers, met in Thebe soms een indrukwekkende kleistenen bovenbouw), de stenen sarcofaag en de canopen. Mummies werden in deze periode vaak voorzien van een kralennet, terwijl de kisten net als de sarcofagen allerlei motieven van oudere perioden combineren tot een imposantenieuwe stijl. Op de mummies worden vaak grote aantallen amuletten gevonden.
Gedurende de 5de en 4de eeuw v.Chr. werd Egypte twee keer door de Perzen bezet en in 332 v.Chr. volgde de verovering door Alexander de Grote. Voortaan stond Egypte onder de Griekse invloedssfeer en werd het bestuurd door de afstammelingen van een van Alexanders generaals, de Ptolemaeën. Gedurende al deze eeuwen onderging de cultuur grote invloed van buitenaf. Tegelijkertijd klampten de Egyptenaren zich krampachtig vast aan het eigene, zodat de tradities rond mummificatie en begrafenis in feite gewoon voortduren, ook nadat het land in 31 v.Chr. deel van het Romeinse rijk was geworden. Mummificatie was populairder dan ooit en ooggetuigenverslagen van Griekse bezoekers als Herodotos maken duidelijk hoezeer het gewijde ambacht van de balsemers (door de Grieken oneerbiedig 'pekelaars' genoemd) een massabedrijf was geworden. Ook de balseming van de duizendenheilige dieren maakte op de Europese bezoekers een bizarre indruk. Vanzelfsprekend leidde de massaliteit ook tot kwaliteitsverlies, zodat mummies uit deze tijd zelden in goede staat zijn. Zo werden de ingewanden nog maar zelden op de traditionele wijze verwijderden apart bijgezet. Voor de afwerking van de mummie werd vanaf de 4de eeuw veel gebruik gemaakt van cartonnage maskers en panelen of, in de Romeinse tijd, beschilderde lijkwaden. De lijkkisten zijn vaak van slechte kwaliteit, al zijn er zelfs in de Romeinse tijd nog uitzonderingen. Onder invloed van Griekse en vooral Romeinse portrettradities werd de meeste aandacht besteed aan de afwerking van het gezicht. Tot in de vierde eeuw van onze jaartelling waren allerlei eeuwenoude tradities nog zeer vitaal, al begon men de beheersing over het hiërogliefenschrift en daarmee de toegang tot de oude bronnen te verliezen. Het waren op zich niet de Griekse of Romeinse overheersers die een eind maakten aan de Egyptische grafgebruiken; integendeel, veel van de mummies uit de welvarende steden rond de Fayoem behoorden aan oorspronkelijk Griekse families die zich aan de Egyptische gewoonten hadden aangepast. In het Romeinse rijk verspreidde zich echter snel een nieuwe godsdienst, het Christendom. Daarin was geen plaats voor de talrijke goden en demonen van het Egyptische pantheon, en ook niet voor de als heidens ervaren balseming van het lichaam. Toen keizer Theodosius in 392 per edict de oude godsdiensten verbood en de tempels liet sluiten, viel daarmee het fundament onder de Egyptische cultuur weg. De graven uit de Koptische of Christelijke tijd zien er dan ook totaal anders uit dan de faraonische.
Al aan het begin van de 17de eeuw was er in Leiden een Egyptische mummie te zien. Deze stond opgesteld in de snijkamer van de Hogeschool, het zogenaamdeTheatrum Anatomicum, waar voor medici demonstraties in de anatomie werden gegeven. De mummie was met enkele andere voorwerpen uit Egypte meegenomen door een oud-student van de hogeschool, David le Leu de Wilhem. De aanwezigheid van deze en andere oudheden in de universitaire collecties maakte dat het Rijksmuseum van Oudheden, toen het in 1818 door koning Willem I werd opgericht, eveneens in Leiden werd gehuisvest. De eerste directeur, Caspar Reuvens, kreeg de moeilijke taak toebedeeld om deze povere verzamelingen uit te bouwen tot een museum van nationale allure. Dank zij royale financiële ondersteuning is hij daar wonderwel in geslaagd.
Al in 1826 verwierf Reuvens van kolonel Rottiers de mummie en kisten van Anchhor en een drietal mummies met kisten van de Brugse koopman Jean de Lescluze. Het jaar daarop kocht hij de collectie van Maria Cimba, wier echtgenoot de lijfarts was geweest van een van die diplomaat-verzamelaars die de basis van zoveel Egyptische musea hebben gelegd: de Engelse consul te Alexandrië Henry Salt. In 1828 kon de nog veel belangrijker verzameling van een van Salts collega's, de Zweedse consul Giovanni d'Anastasy, worden aangekocht. Daarmee was de basis gelegd voor de Egyptische verzameling in Leiden. De collectie telde toen reeds 31 mensenmummies en 42 mummies van dieren. Gelukkig was Reuvens zeer terughoudend bij het onderzoek van de mummies: slechts één exemplaar is ontdaan van zijn windsels, de andere hebben nog hun originele aanzien. Ook van de andere categorieën hier behandelde voorwerpen (lijkkisten, papyri, canopen, shabti's, enz.) was al enorm veel bijeen gebracht. Vlak voor zijn dood in 1835 wist Reuvens daar nog uit de nalatenschap van Salt de papyrus van Kenna aan toe te voegen. Helaas is van vele voorwerpen uit deze oudste verzamelingen de precieze herkomst onbekend. De toenmalige handelaars hielden liever hun bronnen geheim; bovendien werd de opbrengst van één graf vaak over verschillende personen verdeeld en belandde zo in verschillende musea. Zo is het vaak slechts door moderne opgravingen en door het bestuderen van de hiërogliefische opschriften op deze voorwerpen mogelijk om de oorspronkelijke archeologische context te reconstrueren.
Onder Reuvens' opvolgers werd er heel wat minder aangekocht. Toch wist het museum nog de nodige fraaie stukken te bemachtigen en enkele daarvan hadden wel een goed gedocumenteerde herkomst. Zo ontving het in 1893, net als vele andere Europese musea, een deel van de enorme grafvondst van Deirel-Bahri ten geschenke, waar een massagraf van 153 priesters uit de Derde Tussenperiode was ontdekt. Ook ontstond er in die jaren contact met de in Egypte verblijvende Nederlander J.H. Insinger, die onder meer veel voorwerpen uit de prehistorische grafvelden leverde. In de jaren dertig van deze eeuw werd daarvan nog meer verworven uit de voormalige collectie van F.W. von Bissing, samen met onder andere een aantal grafmodellen uit het Middenrijk. Tot op de huidige dag kunnen van tijd tot tijd voorwerpen worden aangekocht die ons beeld van de grafkunst der Egyptenaren verrijken.
Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw graaft het museum ook zelf in Egypte; zo verwierf het met name veel materiaal van een vroeg-historisch grafveld bij Aboe Roash (vlakbij Kaïro). Tegenwoordig graaft het Rijksmuseum van Oudheden in Sakkara, op de plek waar Anastasy veel van zijn collectie bijeen bracht in de graven der hoge ambtenaren uit het Nieuwe Rijk. Zo is al veel informatie verkregen over de herkomst van de oude collecties, met als hoogtepunten de herontdekking van de graven van Horemheb en Maya. Ook de graven van Merymery, Djehoety en Amenhotep moeten in dit gebied hebben gelegen, terwijl een andere expeditie vlakbij de mastaba van Minnofer heeft herontdekt.