printen     versturen    

Saksische fibula

Fibulae (mantelspelden) zijn zeer lange tijd in gebruik geweest. Ze hadden zowel een praktische functie als een sierfunctie. Ze werden met behulp van een mal in brons gegoten. Deze kruisfibula is gevonden in een terp in Friesland.

RMO
Ritsumazijl, 5de-6de eeuw na Chr., h. 8,9 cm

Fibulae zijn mantelspelden en werden veelvuldig gedragen in de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Ze hadden in principe een praktische functie en werden gebruikt om kleding dicht te spelden. Maar daarnaast werden ze ook gedragen als sieraad en om een zekere weelde tentoon te spreiden. Door hun veelvuldige toepassing waren fibulae nogal aan modegrillen onderhevig en veranderden ze dus door de tijd heen; een gelukkige omstandigheid voor de moderne archeologen, want daardoor zijn ze doorgaans redelijk goed te dateren. De afgebeelde fibula dateert uit de 5de-6de eeuw en maakt deel uit van een uitgebreide groep die in ons land voornamelijk in het Friese gebied Westergo is aangetroffen. Deze mantelspeld werd in het begin van deze eeuw gevonden in het plaatsje Ritsumazijl. Vergelijkbare exemplaren zijn bekend uit het westen van Jutland, het Beneden-Elbegebied en Zuidoost-Engeland. Het lijkt erop dat ze in verband gebracht kunnen worden met de Angelsaksische migraties vanuit Noord-Duitsland via het Friese gebied naar Engeland.

Deze kruisfibula met rechthoekige plaat en drie knoppen is uit brons gegoten. Voor de vervaardiging gebruikte men wasmodellen, met behulp waarvan in klei twee tegen elkaar passende mallen werden gemaakt die voorzien werden van een giettrechtertje. Hierdoor werd het gloeiend hete brons in de mal gegoten. Wanneer het brons afgekoeld was, werd de kleimantel eraf geklopt. De beugel, de voet en de dwarsbalken van de fibula werden zo in één stuk gegoten. De eigenlijke naald werd tegen de fibula aan gesoldeerd, waarna deze afgewerkt kon worden. De fibula uit Ritsumazijl werd gevonden tijdens het afgraven van een terp. Dergelijke afgravingen vonden vanaf de 19de eeuw plaats. De terpaarde gebruikte men voor de verbetering van de zand- en veengronden. Deze commerciële exploitatie werd tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw voortgezet en is er de oorzaak van dat veel terpen in Friesland en Groningen zo goed als verdwenen zijn. Bij deze afgravingen kwamen allerlei oudheden te voorschijn, die door particulieren en musea van de terpgravers gekocht werden.De archeoloog A.E. van Giffen, een van de grondleggers van de Nederlandse archeologie, was een van de eersten die de terpen onderwerp maakten van wetenschappelijk onderzoek. Door zijn toedoen is deze fibula in het Rijksmuseum van Oudheden terechtgekomen.