Er waren weinig zaken waarin de Vikingen en de Franken elkaar zo slecht begrepen als het geloof. De Franken waren christenen, die het katholieke geloof aanhingen, zich met de Paus hadden verbonden en hun rijk en hun keizer als door God gegeven beschouwden. De Vikingen met hun meergodenwereld beschouwden ze als heidenen. Het gebrek aan respect voor heilige zaken dat de Noormannen toonden in hun brute aanvallen op kloosters, kerken, liturgische voorwerpen en geestelijken, vervulde de christenen met afgrijzen. 'Heer, bescherm ons tegen de razernij van de Noormannen...', baden ze. De Vikingen op hun beurt zullen niet begrepen hebben wat er zo speciaal was aan die gebouwen en voorwerpen. Zij zagen het als buit: hoe kostbaarder hoe beter. 'Heilig' was hen onbekend. Wanneer we in geschriften over overvallen op kloosters herhaaldelijk lezen dat de monniken alleen kans zagen de relieken van hun heilige van de Noormannen te redden, is dat begrijpelijk, want voor de Vikingen hadden die botten geen waarde.
De Franken waren katholieke christenen. Ze geloofden in een God en in diens zoon Jezus Christus, die op aarde voor de mensen had geleden, was gestorven en na de dood weer verrezen.
Het Paasfeest, waarop de verrijzenis werd gevierd, was de belangrijkste dag van het jaar. Ze geloofden ook dat je na de dood in de hemel kon komen, als je goed had geleefd: goed voor de medemens had gezorgd, je aan de geboden had gehouden (en 'Gij zult niet doden' was er daar een van), op tijd naar de mis was geweest en je zonden had gebiecht. Wie slecht had geleefd, kwam in de hel, die men zich als een onderaardse plek vol vuur en verschrikkingen voorstelde. Tussen hemel en hel bevond zich het vagevuur; de tijd die je daar moest doobrengen was afhankelijk van je levenswandel. Om je kansen op een hemels leven na de dood te vergroten kon je geld of goederen aan de kerk schenken of zelfs je leven aan het geloof wijden door priester of kloosterling te worden.
|
Gekruisigde Christus in het 'Sacramentarium van Metz', Nationale Bibliotheek van Frankrijk, Parijs. |
De geestelijkheid stond, als schakel tussen mens en God, in hoog aanzien. De paus, die in Rome zetelde, werd als kerkelijk leider als hoogste geestelijke macht op aarde gezien. Kerken waren een plaats voor samenkomst van gelovigen, maar ook 'het huis van God', dat met alle beschikbare middelen werd verfraaid. Het geloof was ook een persoonlijke beleving. God was almachtig en zonder fouten.
Katholieken geloofden dat de wereld was geschapen door God en maar een bepaalde tijd zou bestaan. Aan het einde der tijden zou Christus recht spreken over alle mensen die ooit geleefd hadden: dan zouden ze voor altijd in de hemel of de hel terecht komen. Op die dag van het 'laatste oordeel' zouden de doden uit hun graf herrijzen om berecht te worden. Het was dan voor een christen ook essentieel dat zijn of haar lichaam begraven werd.
Het meegeven van voorwerpen in het graf, dat bij hun 'heidense' voorouders gebruikelijk was, hoefde bij de christenen niet, want in het hiernamaals waren er geen lichamelijke behoeften en bij het laatste oordeel waren alle mensen gelijk. Het lichaam was alleen het sterfelijk omhulsel van de onsterfelijke ziel. Christenen geloofden dat elke mens een leven na de dood wachtte, mits je gedoopt was - ook kleine kinderen.
Het katholieke geloof kent een groot aantal heiligen, die tijdens hun leven een voorbeeld van gelovigheid waren geweest en bij wiens graf wonderen gebeurden. Zij waren al in de hemel en zouden daar een goed woordje voor een mens kunnen doen. Deze heiligen werden in ere gehouden en veel kerken of kloosters zijn aan een of meer heiligen toegewijd.
Alle heiligen hebben hun specifieke geschiedenis en daaraan gekoppeld vaak een 'specialisatie': de ene roep je aan bij ziekte, de ander bij een beschuldiging, weer een ander voor bescherming op reis. De kerk is de centrale plaats van het katholieke geloof: mensen lieten zich daarom ook in of zo dicht mogelijk bij de kerk begraven.
Er zijn nauwelijks schriftelijke bronnen over de religie van de Vikingen bewaard. Het meest weten we uit de beschrijving die Snorri Sturkison in de eerste helft van de dertiende eeuw maakte over het geloof van zijn voorvaderen; deze 'Snorri-Edda' is dus vanuit een christelijk perspectief geschreven.
Ook de IJslandse saga's geven een idee van de Noordse mythologie. Volgens deze was de wereld geschapen uit de ledenmaten van de reus Ymir. In het midden van de wereld stond een groenblijvende boom (Yggdrassil) waarvan de wortels tot in de hel reikten. De takken van Yggdrassil kwamen zo hoog dat ze door de koepel van de hemel staken. Deze boom verbond het rijk van de mensen (Midgard) met de woonplaats van de reuzen (Utgard) daaronder en die van de goden (Asgard) erboven.
Bij de as van de wereld leefden Urd, Skuld en Verdandi, de beschikken over het lot, waaraan zowel mensen als goden onderworpen zijn. De leefplaats van de mensen, Midgard, bestond uit een aarden schijf met een zee er rondomheen; in die zee leven Midgardslangen.
| Een 19e eeuwse interpretatie van het wereldbeeld van de Vikingen met de levensboom Yggdrasil, Midgard, Asgard en Utgard, zoals beschreven in de Edda, geschilderd door Oluf Olufsen Bagge. |
De Vikingen geloofden in allerlei goden, die behoorden tot twee geslachten: Asen en Vanen. Ze woonden in Asgard, waar het Walhalla is, de zetel en grote hal van Odin. Daarheen leiden de Walkuren de helden, dat wil zeggen de krijgers die in de strijd gestorven zijn. Vanaf zijn zetel (Lidskjalv) overziet Odin de hele schepping, tot in het dodenrijk, dat wordt geregeerd door Hel. De rangorde van de godenwereld lijkt op de sociale ordening van de aarde. De drie belangrijkste goden in Asgard waren Odin, Thor en Freyr.
Odin was de oppergod, god van kennis en van de overwinning . Hij was een veldheer die zowel met kracht als met een list kon winnen. Hij reisde rond op een achtbenig paard, Sleipnir, en werd vergezeld door de raven Hugin (de gedachte) en Munin (het geheugen). Hij heeft een oog geofferd op zoek naar wijsheid en zichzelf negen nachten opgehangen om de geheime runen te leren. Hij kent alle gemoedstoestanden en heeft geen medelijden met de mens. Onder zijn leiding bereiden de helden in het Walhalla zich tijdens een eeuwigdurend gevecht voor op het laatste gevecht bij het einde van de wereld, Ragnarok. Odin heeft een speer (Gugnir), een toverring (Draupni) en een wolf en adelaar. Onder zijn bescherming vallen koningen, hoofdmannen, tovenaars en dichters; je zou hem een 'aristocratische' god kunnen noemen.
| Odin, met raaf op zijn schouder, wordt aan het einde der tijden verslonden door de Fenris wolf, afgebeeld op een negende-eeuws reliëf van de Isle of Man. |
De zoon van Odin is Thor: het onweer wordt door hem veroorzaakt als hij met zijn bokkenkar langs de hemel rijdt. Zijn attribuut is een typische hamer met een korte steel (Mjollnir), waarmee hij de bliksem uit een steen slaat. Deze hamer keert vanzelf terug in zijn hand, nadat hij ermee heeft gegooid.
Thor was de beschermgod tegen reuzen, geesten, kou en honger. Omdat hij gewelddadig was maar wel een goed hart had, herkenden mensen zich in hem en Thor was onder het volk het meest geliefd. Hij was te vermurwen, beschermde de akkerbouw en werd op het platteland vaak hoger aangeslagen dan Odin.
Freyr, zoon van Njord, stamde uit een ander godengeslacht. Hij was de god van de vruchtbaarheid en de zinnelijkheid, hem kon je om vrede vragen. Zijn zus Freya was de godin van de schoonheid en heerste over regen en zonneschijn. Zij was de aanvoerdster van de Walkuren, een leger vrouwen te paard die op aarde oordeelden over de moed van de Vikingen en gesneuvelden begeleidden naar het Walhalla.
Overigens heten nog steeds drie dagen van de week naar goden uit de Noordse mythologie: Woensdag naar Odin (Wodan), Donderdag (Thursday) naar Thor (Donar) en Vrijdag naar Freya.
De Vikingen geloofden dat de goden de mensen vooral op hun moed, dapperheid en slimheid beoordeelden. De verhalen die zij over goden en helden vertelden gingen ook alleen maar over dapperheid en avontuur: dat was het voorbeeld dat de goden de mensen hadden gegeven. Het Walhalla, waar het eeuwig drinken en eten was, was alleen weggelegd voor de dapperste krijgers. Sterven in de strijd, met name ver van huis, was daarom voor een Viking geen angstaanjagend vooruitzicht: via die weg zou hij namelijk zeker in het Walhalla terecht komen. Beter sterven dan je overgeven en als zwakkeling uitgesloten zijn van het hiernamaals.
Ook de wreedheid van de plundertochten is deels op dit idee terug te voeren: je moest immers laten zien hoe dapper en krachtig je was. Niet alleen de hoeveelheid buit die je had veroverd, maar ook heldhaftig gedrag in den vreemde en de tegenstanders die je overwonnen had (te bewijzen met trofeeen als buitgemaakte wapens of zelfs schedels) pleitten voor je moed.
De goden van de Vikingen waren bepaald niet almachtig. Ze hadden goede en slechte kanten en de mensen hadden jegens de goden bepaalde plichten, maar ook rechten. Als een god niet voldoende hielp, kon een mens zich van hem afkeren en de 'tussenpersoon' verbannen of doden.
De goden werden benaderd in meestal collectieve rituelen, veelal in de open lucht; de Vikingen zagen de goden vooral in bronnen, bomen, grote stenen en open waters. Daar werden offers gebracht van vruchten of dieren; het hoogste offer was een mensenoffer. De offers werden begeleid door gebeden uitgesproken door professionele priesters en waren het verbond tussen goden en mensen.
De reden voor een plechtigheid kon verschillen, maar er waren vaste rituelen aan de seizoenen verbonden; op het Noordse midwinter-ritueel gaat het huidige kerstfeest terug. Eens in de negen jaar werden grote feesten gevierd, waarbij offers werden gebracht van dieren en mensen. Het slachtoffer werd snel gedood met een zwaard of bijl, waarbij het bloed werd opgevangen; deze bloedoffers werden blot genoemd. Rituelen als deze werden meestal door een feestmaal gevolgd.
| Thorhamertje gebruikt als hanger, Nationaal Historisch Museum Stockholm. |
Goden boden hulp in het dagelijks leven en Vikingen droegen amuletten in de vorm van Thor-hamers of miniatuurwapens Die hulp zagen zij zeer letterlijk. Een Arabische schrijver, Ibn Fadlan, vertelt in zijn reisverslag 'Risala' uit 922 hoe de (van oorsprong Zweedse) Vikingen in Rusland op een eilandje in de Wolga hun god aanbidden. 'De Russen verlieten hun schepen die waren volgeladen met bont en mooie slavinnen. Ze hadden brood, uien, melk, vlees en bier bij zich. Ze liepen naar een grote houten rechtopstaande menselijke figuur waaromheen houten afgodsbeeldjes op paaltjes in de grond gestoken waren. Ze knielden voor het beeld en spraken dit gebed uit: 'O heer! Ik kom uit een ver land en heb zo en zoveel meisjes bij me, en die en die hoeveelheid sabelbont' en dan somden ze al hun andere aanwinsten op. Vervolgens zeiden ze: 'Al deze offergaven heb ik meegebracht' en legden alles neer wat ze bij zich hadden. En dan ging het gebed verder met heel exact geformuleerde wensen over het welslagen van de transacties: 'Ik wens dat u mij een koopman stuurt, die voldoende dirhams en dinars bezit om al mijn waren van mij te kopen en die niet over de prijs gaat zeuren.'
Uit: Annemarieke Willemsen, Vikingen! Overvallen in het stroomgebied van Rijn en Maas, 800 - 1000, Bussum / Utrecht 2004
Rijksmuseum van Oudheden