printen     versturen    

Naar school in Babylonië

Scholen waren wijd verbreid rond 2000 vóór Christus in Babylonië (Zuid-Irak). Leraren onderwezen twee tot vier kinderen bij zich in huis. De jongens - meisjes gingen zelden naar school - leerden allereerst lezen en schrijven. De onderwijzer schreef met een griffel een tekst in spijkerschrift op een kleitablet. De leerlingen moesten dit kopiëren, herhalen en uit het hoofd leren.  Dictee's en proefwerken hoorden erbij.
Spiekbriefjes waren niet onbekend... Één tekst vermeldt dat een leerling tijdens een eindexamen foute antwoorden gaf. De leraar schold hem uiteindelijk uit.

RMO

Kleitablet met daarop een schrijfoefening. De leraar schrijft als voorbeeld de eerste twee regels. De leerling-schrijver schrijft ze na in de laatste twee regels. Het gaat om de namen van gereedschap; zuid-Irak; ca. 2200 v.Chr.; diam. 8,8 cm.;  inv.nr.: LB 995 

Het lesprogramma omvatte taal- en letterkunde, natuurkunde, aardrijkskunde, wiskunde, biologie, scheikunde, medicijnen en muziek. Het onderwijs duurde de hele dag. De kinderen namen hun lunchpakketje mee.
Zes dagen per maand hadden ze vrij. Er heerste een ijzeren discipline: te laat komen of slecht maken van huiswerk werd bestraft met een flink pak slaag. 

De kinderen gingen vanaf hun vijfde tot hun vijftiende jaar naar school. Daarna volgde vaak een stage. In Babylonië kreeg je gemiddeld je eerste baan op je achttiende.

Een Babylonisch raadsel gaat als volgt:

"Een huis geplaatst op een fundament zoals de hemel, een huis dat men bedekt met een linnen doek zoals een schatkist, een huis dat op een basis staat zoals een gans, men treedt er blind binnen, men verlaat het ziende - wat is dit?"

Oplossing:

"De school!"

RMO

Een wiskundopgave op een kleitablet; zuid-Irak; ca. 1800 v.Chr.; diam. 9,5 cm.; invnr. LB 1821  

Op het hierboven afgebeelde kleitablet staat een wiskunde-opgave voor de gevorderde leerling (ca. 1800 vóór Christus). Deze luidt als volgt:

Vraag: bereken de oude en de nieuwe omtrek van een stad. Daarbij moet gebruik gemaakt worden van een tekening met cirkels en getallen (diameter binnenste cirkel is 20, die van de buitenste cirkel is 30):

Opdracht van de leraar:

"Een stad: ik trok er een cirkel omheen maar ik weet niet hoeveel ik omcirkelde. De bebouwde kom werd te klein, dus maakte ik de stad groter door een cirkel om de stad heen te trekken op een afstand van 5. De oppervlakte van de ruimte tussen de eerste en de tweede cirkel is 375. Wat zijn de nieuwe en de oude omtrek van de stad?"

Antwoord van de leerling:

"Je moet de afstand 5 nemen tussen de binnen- en buitencirkel met 3 vermenigvuldigen, je krijgt dan 15. Deel 375, namelijk de tussenruimte, hierdoor en je krijgt 25. Zet die 25 twee keer neer: de 5 die je als afstand had genomen om de cirkel te trekken, tel die op bij de ene 25 en trek die af van de andere 25. Dan krijg je dus 30 voor de nieuwe omtrek van de stad en 20 voor de oude omtrek van de stad. Kwadrateer 30, dan krijg je 900. Vermenigvuldig 900 met 5, het vaste getal dat gebruikt wordt in de formule om de omtrek van een cirkel te berekenen. Dan krijg je 2000 voor de oude oppervlakte van de stad. Aldus is de procedure".

De leerling heeft helaas alles fout gedaan... De juiste oplossing is: de omtrek van de binnencirkel is 60, die van de buitencirkel 90.

 

Rijksmuseum van Oudheden