Vanaf de tijd van de vroegste faraos (vanaf 3100 v.Chr.) bestonden er in Egypte al speciale koningsgraven. In het Oude Rijk (2575-2465 v.Chr.) ontwikkelden die zich tot de piramiden. Qua omvang van de monumenten leek dit een grote verandering, maar de ideeën erachter bleven hetzelfde: een graf voor de koning om zijn reis naar het hiernamaals te bespoedigen.
De koningsgraven uit het begin van de faraonische periode zijn rechthoekig en sommige hebben een ommuring. Deze graven liggen in Abydos, en later ook in Sakkara . Deze graven hebben een ondergronds deel (met de eigenlijke grafkamer) met daarover een bovengrondse bankvormige constructie. Deze bovenbouw diende als bescherming voor de koning na zijn dood. Deze graven worden met een Arabisch woord mastaba genoemd, wat bank betekent. Soms heeft de bovenbouw zelfs een soort trapvorm. Al deze elementen waren een voorbode voor de piramiden, die in verschillende vormen werden gebouwd.
1.1. De betekenis van piramiden
1.2. Piramiden in het landschap
2.1. De trappenpiramide van Djoser
2.2. Piramiden in het Oude Rijk
2.3. Piramiden in het late Oude Rijk
2.4. Piramiden van het Middenrijk
2.5. Piramiden in latere tijden
1.1. De betekenis van piramiden
Het woord piramide komt uit het Grieks: puramidos. Dit is een soort koek van tarwemeel met een driehoekige vorm. De piramiden werden voor de koningen aangelegd als graf. Twee betekenissen worden eraan gegeven. Als eerste werd de piramide door de oude Egyptenaren gezien als een trap naar de hemel, een soort toegang naar het hiernamaals. Ten tweede werd hij gezien als een afbeelding van de oerheuvel van waaruit alle leven was ontstaan. De heuvel was ook een symbool voor de overgang van het rijk van de levenden naar het hiernamaals: elke dag zal de koning opnieuw worden geboren op de oerheuvel. Vanaf het begin waren de piramiden georiënteerd op het noorden, gericht op de poolster. Omdat de poolster nooit uit de hemel verdwijnt, wilde de koning daar naar toe. Vanaf de 4e dynastie (2575-2465 v.Chr.) werd het oosten als oriëntatiepunt belangrijker door de toenemende invloed van de zonneverering. De dodentempels die bij het piramidecomplex hoorden, lagen aan de oostkant zodat de priesters naar het westen liepen waar de zon onder ging. Volgens de nieuwe opvattingen was dat de plaats waar de koning na zijn dood naar toe zou gaan.
1.2. Piramiden in het landschap
Koning Djoser uit de derde dynastie (2649-2575 v.Chr.) was de eerste koning die een piramide liet aanleggen met een heel complex van andere bouwwerken eromheen. Djoser was namelijk heel wat machtiger dan zijn voorgangers, die nog met opstanden in het land te kampen hadden. Tijdens de regeringsperiode van Djoser werd het land meer een eenheid en was hij echt het hoofd van de staat in plaats van lokale leiders. Inwoners werden opgeroepen om mee te werken aan de bouw van de piramiden. Dat ze zo groot zijn geworden is te danken aan het grote aantal inwoners die aan deze oproep gehoor gaven en aan de duur van de bouw. Deze arbeiders waren geen slaven, maar ze kregen gewoon betaald voor hun werk. Ze woonden vaak naast de piramiden zelf, zo bewijst een arbeidersdorp naast de piramiden van Giza.
In Egypte werden alle piramiden ten westen van de Nijl gebouwd. De meeste liggen aan de rand van de woestijn. De piramiden staan echter niet op zand, maar op de onderliggende rots: anders zouden ze door hun grote gewicht natuurlijk verzakken. De bouw van de piramiden duurde voort tot na het Middenrijk (2040-1640 v. Chr.). Naast de koningen kregen ook de koninginnen hun eigen piramiden. Totaal zijn er ongeveer 100 piramiden bekend, maar ze zijn niet allemaal afgemaakt. Vanaf het Nieuwe Rijk (1550-1100 v.Chr.) werden er voor de faraos diepe rotsgraven zonder piramide uitgehakt. Dit houdt verband met veranderende religieuze opvattingen, en ook met het inzicht dat rotsgraven beter te beschermen waren tegen grafrovers. Kleine piramiden stonden nog wel op graven van hovelingen en ambtenaren, en veel later werden in de Soedan opnieuw piramiden voor de plaatselijke koningen gebouwd.
2.1. De trappenpiramide van Djoser
In Sakkara liet koning Djoser voor zichzelf een piramide aanleggen in de vorm van een reusachtige trap van zes treden. Deze piramide is het resultaat van verschillende bouwfasen, die samen ongeveer twintig jaar duurden. Djosers architect Imhotep begon met het aanleggen van een traditionele mastaba . De oorspronkelijke mastaba werd twee keer uitgebreid in de lengte. Daarna kwam Imhotep op het idee om vier mastabas op elkaar te stapelen. Uiteindelijk werd deze verhoogd tot zes lagen, terwijl rondom een heel complex werd aangelegd met kapellen, een dodentempel, een hof en een ringmuur met nissen. Na voltooiing bereikte de piramide een hoogte van 60 meter. De omtrek van de piramide was 121x109 meter en zijn ommuring was 1,6 km lang en 11 meter hoog. Het grafmonument stak als een berg uit boven de rest van het landschap. Geheel nieuw is ook dat alles werd gebouwd van witte kalksteen, in plaats van de ongebakken kleisteen waarvan de mastabas van Djosers voorgangers waren gemaakt.
| De piramide van Djoser te Sakkara, Egypte. |
De oorspronkelijke mastaba vormt de kern voor de latere piramide. Hij is gemaakt van relatief kleine blokken kalksteen, die in horizontale lagen zijn gestapeld net zoals dat bij de kleistenen mastabas van de vorige periode gebeurde. Bij de ophoging tot een trappenpiramide was Imhotep bang dat horizontale lagen instabiel zouden worden. Daarom is de piramide opgebouwd uit lagen die naar binnen hellen. Oorspronkelijk werd er ook een grafkamer aangelegd voor de koning onder de grond in de mastaba. Bij de uitbreiding tot piramide is de eerste grafkamer dichtgemaakt en werd er een nieuw gangenstelsel aangelegd met een tweede grafkamer. Deze grafkamer lag bijna in het midden van de piramide. Hij was volledig van graniet gemaakt en na de begrafenis afgesloten met een granieten blok van 3,5 ton.
In het ommuurde complex waren meerdere andere bouwwerken aanwezig, zoals een tempel ten noorden van de piramide waar voedseloffers voor de dode koning werden gebracht, een noordelijk en zuidelijk paleis en een jubileumhof. In de laatste werd het zogenaamde Sed-feest gevierd, wat bij het 30e regeringsjaar van de koning plaatsvond. Djoser heeft maar negentien jaar geregeerd, maar zou zijn jubileum zo toch in het hiernamaals kunnen vieren. Aan de zuidkant van het complex bevond zich ook een graftombe. Deze zuidelijke graftombe was waarschijnlijk aangelegd met een ceremoniële betekenis, maar de precieze functie is tot nu toe nog niet vastgesteld. Waarschijnlijk was het de woning voor de ka, de ziel van de koning. Zowel hier als in het gangenstelsel rond de grafkamer onder de piramide bevinden zich muren die versierd zijn met tegels van blauwe faience en wandreliëfs. Een beeld van Djoser zelf dat oorspronkelijk beschilderd was en ingelegde ogen had, stond in een serdab: een afgesloten kamertje in de dodentempel, van waaruit de koning de offercultus die voor hem werd uitgevoerd kon volgen.
De opvolger van Djoser, Sechemchet, heeft ook nog een poging gewaagd om een trappenpiramide te bouwen in Sakkara, waarbij die van hem 10 m hoger zou worden dan die van Djoser (1 traplaag meer). Dezelfde techniek werd bij de bouw gebruikt, maar door de korte regeringsperiode (6 jaar) is de piramide nooit afgemaakt en maar 7 m hoog geworden. Een vreemd kenmerk van deze piramide was de grafkamer eronder, die een sarcofaag bevatte. De sarcofaag had een schuifdeur en was gemaakt uit één blok albast. Hij bleek echter leeg te zijn. De laatste farao van de 3e dynastie heeft ook een begin gemaakt met het bouwen van een trappenpiramide, maar ook deze is nooit afgemaakt. Nieuwe inzichten in het bouwen van de piramiden maakten dat de trappenpiramide uit het beeld verdween.
2.2. Piramiden in het Oude Rijk
Vanaf de vierde dynastie is er afstand gedaan van de trapvorm van de piramide. De eerste koning van de 4e dynastie, Snofroe (2575-2551 v. Chr.), bouwde er drie. De eerste piramide staat in Meidoem en laat duidelijk zien dat hij nog als trappenpiramide is gebouwd, met lagen van naar binnen hellende stenen. De ingang bevindt zich in het midden van de noordkant. Een bijna 60 m lange gang loopt schuin naar beneden en eindigt in twee kamers met waarschijnlijk ruimte voor blokken om de toegang af te sluiten. Vandaar loopt er een verticale schacht 6,5 m omhoog, die uitkomt in de grafkamer. Deze bevindt zich op 16,6 m boven de fundering van de piramide, die in totaal 92 m hoog was. Het hele complex was ook ommuurd, maar deze ommuring was vierkant en niet rechthoekig zoals bij Djoser. Een nieuw element hierbij was een speciale toegangsweg naar de oostelijke ingang van het complex toe. In het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden is een kalkstenen fragment opgesteld van de piramide. Een kleine inscriptie vertelt ons de datum waarop het blok is uitgehakt: 1e maand van het zomerseizoen, dag 22. Het nummer van het regeringsjaar van Snofroe ontbreekt. Een studie van deze inscripties heeft aangetoond dat Snofroe aan het eind van zijn regeringsperiode de trappenpiramide liet ombouwen tot een gladde echte piramide. Hierbij werden de blokken horizontaal gelegd. De techniek hoe dit moest had hij inmiddels geleerd in zijn andere twee piramiden.
De tweede piramide die Snofroe liet bouwen staat in Dahsjoer. Het is de oudste gladde piramide van Egypte, maar men wist nog niet goed hoe dit moest. De bouwers begonnen met een hellingshoek van 60 graden, maar dit was veel te steil, vooral omdat de piramide slecht gefundeerd was. Toen hij begon in te zakken, werd de helling halverwege verkleind tot 42 graden. Daarom heet deze piramide de knikpiramide. In totaal werd de piramide 105 m. hoog, en had een basislengte van 188 m. Het unieke aan deze piramide is dat hij van binnen twee ingangen heeft met twee lange gangen en ieder een grafkamer, eén aan de westkant en één aan de noordkant. Rond de piramide stond een ringmuur, met daarbinnen nog een kleinere piramide (vergelijkbaar met het zuidgraf van Djoser en mogelijk voor een beeld van de koning) en een kapel met twee stèles. Een ommuurde weg leidde naar een tweede tempel aan de dalrand. In deze daltempel stonden beelden van Snofroe opgesteld en twee stèles waarop zijn naam stond.
Snofroe was kennelijk niet tevreden met het resultaat en besloot om nog een piramide te bouwen in Dahsjoer: de noordelijke of rode piramide. Deze heeft een groter oppervlak dan de knikpiramide en een basislengte van 220 m. Door het toepassen van een kleine hellingshoek werd ook deze piramide 105 m hoog. Net als de knikpiramide werd de rode piramide geheel bekleed met fijne kalksteen aan de buitenkant. Het inwendige gangenstelsel vormt een evenbeeld van dat in de knikpiramide. Opnieuw was er een dodentempel, die later tot de grond toe werd afgebroken. Uiteindelijk is Snofroe waarschijnlijk hier begraven.
Snofroe werd opgevolgd door zijn zoon Cheops. Deze bouwde de grootste piramide van heel Egypte in Giza, vlak bij de hoofdstad Caïro aan de rand van de woestijn. Hij liet zijn piramide bouwen met de grootst mogelijke precisie. Waarschijnlijk gebruikte hij 2.300.000 blokken. Deze piramide bereikte een hoogte van ongeveer 147 m. Door de piramide te bouwen op een fundering van woestijnrots werd de constructie stabieler dan de knikpiramide. Net zoals zijn vader bouwde Cheops zijn piramide met horizontaal gestapelde blokken. Wat wel vernieuwend was, was de binnenkant. Eerst loopt er aan de noordkant, een gang schuin naar beneden, tot deze uitkomt in een ondergrondse kamer. Deze is nooit afgemaakt. Vanaf de naar beneden lopende gang werd er een aftakking naar boven gemaakt, die leidt naar een tweede kamer (de zogenaamde koninginnekamer), die waarschijnlijk dienst deed als een soort serdab voor een levensgroot beeld van de koning. Van hier leidt een 8 m hoge galerij verder omhoog naar de eigenlijke grafkamer. Deze is geheel gemaakt van rood graniet en bevat nog Cheops sarcofaag, die van hetzelfde materiaal gemaakt is. Vlak boven de grafkamer liggen nog vijf ontoegankelijke kamers en daarboven een soort zadeldak, dit om het gewicht van de daarboven liggende stenen beter te verdelen en om instortingsgevaar te voorkomen. Het vreemde aan de binnenkant zijn de zogenaamde luchtschachten, die vanuit de grafkamer en vanuit de koninginnekamer schuin naar boven lopen. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor de koning, zodat hij zelf naar de sterren kon kijken en zich bij hen kon voegen als hij dat nodig vond.
| De piramiden van Chefren, Cheops en Mykerinos op het Giza plateau in Egypte. |
Bij het complex van Cheops, dat ook in het vierkant ommuurd was, hoorde een dodentempel, een toegangsweg, een daltempel, een kleine satellietpiramide, verscheidene bootputten, drie koninginnepiramiden en rijen mastabas voor prinsen en hovelingen. Tegenwoordig is er bijna niks meer over van de dodentempel; hij is in het verleden tot de grond toe afgebroken. De tempel was met zwart basalt bestraat en had kalkstenen muren met reliëfs. De satellietpiramide is pas recent ontdekt en is veel kleiner dan de koninginnepiramiden. Hij meet maar 20 m. in het vierkant. Hij ligt net zoals de dodentempel aan de oostkant van de piramide, vlak voor de koninginnepiramiden. De bootputten liggen zowel aan de oostkant als aan de zuidkant. Sommige hierin begraven schepen zijn misschien echt gebruikt bij de koninklijke begrafenis. Andere boten waren meer symbolisch bedoeld, om de farao in het hiernamaals te begeleiden naar de hemel. Een van deze schepen is nu weer in elkaar gezet en staan nu tentoongesteld in een speciaal bootmuseum naast het piramidecomplex.
De opvolger van Cheops was zijn zoon Djedefre. Hij regeerde niet lang en week af van de plaats waar zijn vader een piramide heeft laten bouwen. Hij bouwde er een in Aboe Roasj, dat iets noordelijker ligt. De grafkamer was helaas leeg, we weten niet of hij hier ook echt begraven was. Djedefre regeerde niet lang en werd opgevolgd door zijn jongere broer Chefren. Deze keerde weer terug naar Giza waar hij niet alleen een piramide bouwde, maar voor het eerst ook een volledige dodentempel zoals we die uit latere perioden kennen. Ook liet hij de beroemde sfinx uithakken die als een bewaker tussen de dodentempel, de daltempel en de piramide ligt. Zijn piramide is iets kleiner en lager dan die van zijn vader. Dit valt echter bijna niet op, omdat hij hem bouwde op een rots van 10 m hoog. Nadat de piramide klaar was, is de onderste laag bekleed met rode graniet en de rest werd bedekt met witte kalksteen tot een glad geheel. Bij de top is dit nu nog te zien. Aan de noordkant van de piramide vinden we twee ingangen die naar de grafkamer leiden. De bovenste gang loopt eerst schuin naar beneden, waarna hij uitkomt op een horizontale lange gang. De gang geeft de toegang tot de grafkamer, die bijna 7 m hoog is en waar de sarcofaag in staat. De grafkamer heeft een puntdak en de sarcofaag is gemaakt van zwart graniet. De onderste gang loopt ook eerst schuin naar beneden en loopt dan over in een kortere horizontale gang. Aan de zijkant van deze horizontale gang zit een zijkamer, ook met een puntdak, die misschien gebruikt is als serdab. De horizontale gang maakt aan het eind weer een knik schuin omhoog, waar hij uitkomt op de bovenste toegang.
| De sfinx op het Giza plateau. |
Chefrens dodentempel bestaat uit een voorgedeelte dat is gemaakt van reusachtige blokken kalksteen, en een achtergedeelte. De tempel omvat voor het eerst de vijf onderdelen die een tempel vanaf die tijd altijd heeft. Dit zijn een toegangshal, een binnenplaats met zuilen, vijf nissen voor standbeelden van de koning, een allerheiligste met een schijndeur, en rondom voorraadkamers. Vanaf de dodentempel loopt een dalende weg direct naar de daltempel, waar de sfinx en de sfinxtempel vlak naast staan. De daltempel is heel goed bewaard gebleven en werd ook gebouwd van reusachtige blokken kalksteen, bekleed met rood graniet. Via twee ingangen kwam je in een voorhal. De vloer was van witte albasten platen gemaakt, net zoals in de T-vormige hal die daarna kwam. Het dak wordt hier gedragen door granieten zuilen, waarvan er nu nog veel te zien zijn.
Op het Giza plateau staat nog een derde grote piramide en die is van Mykerinos. Deze werd op precies dezelfde manier gebouwd als die van zijn voorgangers. Hij was alleen veel kleiner (hoogte 60 m); wel zijn de onderste lagen bekleed met graniet. De piramide was ook nu weer een onderdeel van een heel complex, met een ommuring, drie koninginnepiramiden, een dodentempel, en een verbindingsweg naar de daltempel. De ingang van de piramide ligt in de noordkant van de piramide en loopt via een gang eerst schuin naar beneden. Hij komt uit in een kamer met versierde panelen en daarna een kamer met drie valblokken om rovers tegen te gaan. Vervolgens loopt er een horizontale gang naar een enorm voorvertrek; vandaar loopt een schuine gang naar beneden naar de grafkamer. De dodentempel bevatte dezelfde elementen als die van Chefren. Deze tempel is echter nooit door Mykerinos zelf afgemaakt; een groot deel was haastig voltooid in kleisteen door zijn opvolger. In de daltempel zijn prachtige beelden gevonden met Mykerinos als onderdeel van een drie-eenheid of met zijn vrouw.
2.3. Piramiden in het late Oude Rijk
Wat veel mensen niet weten is dat de piramidenbouw na Mykerinos niet zomaar is opgehouden. Zijn opvolgers van de vijfde (2465-2323 v.Chr.) en zesde (2323-2150 v. Chr.) dynastie hebben ook piramiden gebouwd. Zo groot als de piramiden van Cheops en Chefren zijn ze echter niet meer geworden. Dit duidt niet op minder macht, maar wel op een verschuiving van prioriteiten. Zo werd nu meer aandacht besteed aan de decoratie van het hele complex met schitterende wandreliëfs, en minder aan de grootte. Verder was er een nieuw inzicht dat de farao zelf geen god op aarde was, maar slechts de zoon van de oppermachtige zonnegod. Een nieuw element bij deze piramiden waren dan ook de zonnetempels. Deze werden ongeveer net zo gebouwd als een piramide met het grote verschil dat het centrale element niet een piramidevorm had, maar een obelisk was. Een daltempel gaf via een ommuurde weg toegang tot een verhoogd en ommuurd complex, waarop de obelisk in het midden stond.
De eerste farao van de vijfde dynastie liet zijn piramide bouwen in Sakkara, net zoals de laatste twee. De faraos ertussen bouwden hun piramides in Aboesir, waarvan een maquette gemaakt is die in het museum staat opgesteld. Alle piramides uit de vijfde en zesde dynastie hadden een grafkamer met een zadeldak, zoals de grote piramide van Cheops die ook had. Deze grafkamers liggen bijna allemaal op gelijke hoogte met de fundering van de piramide. De piramiden van Sahoere, Neferirkare en Nioeserre in Aboesir en die van Djedkare-Isesi in Sakkara hebben allemaal als kern een trapvorm die gemaakt is van kalksteen; later zijn ze aan de buitenkant aangevuld met stenen en graniet zodat het een gladde piramide werd. Ook de piramidecomplexen als geheel volgen dezelfde ideeën als hun voorgangers: een heel complex met een daltempel, een verbindingsweg, een dodentempel en een satellietpiramide. Helaas zijn veel van deze bouwwerken verdwenen of tijdens de bouw niet afgemaakt.
Vanaf koning Oenas, de laatste koning van de vijfde dynastie, staan er plotseling lange teksten in hiërogliefen op de wanden van de grafkamer. Deze zogenaamde Piramideteksten vormen de oudste religieuze teksten van Egypte. Het zijn toverformules en rituele spreuken die een rol speelden tijdens de begrafenis en die de koning nu mee kreeg in het graf om zichzelf in het hiernamaals te helpen. Dit nieuwe element werd overgenomen door de koningen van de zesde dynastie die al hun piramiden bouwden in Sakkara. De laatste koning van de zesde dynastie, Pepi II, had niet alleen een groot piramidecomplex, maar daarnaast vormen de ommuurde piramides van zijn koninginnen een enorm tweede complex. Na de zesde dynastie viel de eenheid van het land uiteen. De machthebbers uit Heracleopolis bouwden geen piramiden, maar hun opvolgers in Thebe hebben wel geprobeerd om piramiden te bouwen. Deze waren echter vrij klein en gebouwd van kleisteen.
2.4. Piramiden van het Middenrijk
Na deze Eerste Tussenperiode kwam het Middenrijk (2040-1640 v. Chr.) waarbij de eenheid weer werd hersteld. Ook de koningen van deze periode bouwden weer piramiden. In de twaalfde dynastie (1991-1783 v.Chr.) werden er zeven gebouwd, twee in Lisjt, drie in Dahsjoer, een in Illahoen en een in Hawara. De eerste koning, Amenemhat I, begon bescheiden met een basis van 84 m, maar vijf andere hadden allemaal een basis van ongeveer 105 m. Deze piramides zijn gebaseerd op de piramiden uit het Oude Rijk, met ruwe kalksteenblokken en een opvulling van zand, puin en kleisteen. Ook hadden ze andere overeenkomsten. De ommuring was nog steeds vierkant, waarbij opvalt dat de piramide van Sesostris I twee ommuringen had met daartussen negen koninginnepiramiden die apart ommuurd waren. De derde koning, Amenemhat II, voegde wel een nieuw element toe: een rechthoekige ommuring. Sesostris II bouwde zijn hele piramide van kleisteen. Sesostris III en zijn opvolger Amenemhat III hebben ook nog piramiden gebouwd, maar zij waren de laatste echte piramidebouwers. Amenemhat III bouwde er zelfs twee: na een mislukt project in Dahsjoer dat al tijdens de bouw begon te verzakken begon hij bij Hawara opnieuw met de constructie van een piramide. De tempel daarvan kreeg zulke grote afmetingen dat latere generaties spraken over het Labyrinth. Aan het eind van het Middenrijk leek de piramide als graf voor de koning te verdwijnen.
2.5. Piramiden in latere tijden
Vanaf het Nieuwe Rijk (1550-1070 v.Chr.) werden de koningen na hun dood begraven op een andere manier. In Luxor ligt het Dal der Koningen waar graven uit de rotsen werden gehakt en van binnen beschilderd met afbeeldingen uit de onderwereld. Er was een aparte kamer voor de sarcofaag met mummie en soms ook een schatkamer. Wie kent niet het graf van Toetanchamon , die daar ook begraven ligt? Piramiden verdwenen echter niet uit het beeld. Vanaf deze periode werden ze gebouwd als onderdeel van privé-graven voor hoge ambtenaren aan het hof of voor rijke handwerkslieden; ze stonden dan als bekroning op het dak van de grafkapel of de kapel zelf had van buiten een piramidevorm. De bekendste uit deze periode zijn de privé-graven van de arbeiders uit Deir el-Medina. Dit dorp lag vlak bij het Dal der Koningen. De arbeiders die in het dorp woonden, werkten in het Dal om de faraograven uit te hakken en te versieren. Voor zichzelf bouwden zij grafkapellen waarop kleine spitse piramiden werden gebouwd. Ze werden van kleisteen gemaakt en waren van binnen hol zodat het dak van de kapel niet zou instorten. De top van de kleine piramide was van natuursteen gemaakt: het piramidion. Dit droeg vaak afbeeldingen van de overledene en soms ook inscripties.
In Sakkara werden in de achttiende en negentiende dynastie (1550-1196 v. Chr.) graftombes gebouwd voor hoge ambtenaren uit Memphis. Deze hadden de vorm van een kleine tempel met een piramide op het dak of erachter. Op de top stond een piramidion , die vaak van kalksteen was. De kleine piramide zelf was meestal van kleisteen gemaakt. In het museum staat er ook een opgesteld, die de overledene laat zien. Hij is links afgebeeld en aanbidt de zonnegod, die zich in een menselijke vorm laat zien. Helemaal bovenin zien we het teken van de zonnegod.
Na het Nieuwe Rijk was er weer een periode met veel instabiliteit, die zorgde voor het wegvallen van de eenheid. Meerdere koningen regeerden tegelijk in deze Derde Tussenperiode (1070-711 v.Chr.), en hun graven werden nog steeds ondergronds aangelegd. In Zuid-Egypte en de Soedan kregen echter de inheemse Nubiërs weer macht over hun eigen land, nadat ze de in de eeuwen daarvoor vanuit Egypte gekoloniseerd waren. De Nubische koningen wilden zich graag manifesteren als echte faraos en lieten zich inspireren door de grote bloeiperioden van het verleden. In de Soedan bouwden ze voor zichzelf daarom kleine spitse piramiden van rode zandsteen op aparte begraafplaatsen buiten de hoofdstad. Omdat de Nubische hoofdstad een aantal keren is verplaatst, zijn er op meer plaatsen zulke begraafplaatsen gevonden. Totaal zijn er wel 180 van zulke piramiden gevonden. Tot 350 na Chr. bleef het voor de Nubische koningen het belangrijkste graftype. Daarna namen grote grafheuvels hun plaats in, en toen de Nubische faraos net als de Egyptenaren overgingen tot het Christendom was het voorgoed afgelopen met de piramidebouw.
Rijksmuseum van Oudheden