printen     versturen    

Hakken in het zand - Nederlandse opgravingen in Egypte

door dr. Maarten J. Raven
conservator Egypte, Rijksmuseum van Oudheden

Het geluid van hakken in het zand is de mooiste klank die een archeoloog zich kan voorstellen! En dan niet het geluid van zijn eigen voetstappen, maar dat van de ijzeren hakken waarmee de lokale arbeiders opgravingen verrichten. Het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden heeft heel wat werk verricht in de Egyptische woestijn. Bij de vindplaats Sakkara, even ten zuidwesten van Cairo, vinden archeologen van het museum al dertig jaar het ene prachtig versierde grafmonument na het andere. In maart 2007 waren deze activiteiten nog uitgebreid in het nieuws, toen het graf van Ptahemwia werd gevonden, schenker des konings ten tijde van de faraos Achnaton en Toetanchamon. Maar we kunnen nog verder teruggaan in de geschiedenis. In 2007 is het precies vijftig jaar geleden dat Adolf Klasens, destijds conservator aan het RMO, voor het eerst een eigen Nederlands project startte bij de vindplaats Aboe Roash. En dat waren niet eens de eerste Nederlandse activiteiten in de Egyptische woestijn. In 1925 werkte de Nederlandse archeoloog Henri Frankfort al voor de Engelse Egypt Exploration Society bij Abydos, en later in Amarna. En al daarvoor, in de 19de eeuw, verleenden Nederlanders ondersteuning aan archeologische projecten in Egypte, als tekenaar of fotograaf bij voorbeeld. Voor al die activiteiten was heel wat vasthoudendheid en koppigheid nodig: hakken in het zand!

Aboe Roash (1957-1959)
Aboe Roash is een dorp pal ten westen van de Egyptische hoofdstad Cairo. In drie winters legde Adolf Klasens hier totaal 380 graven bloot aan de rand van de woestijn. Deze dateren uit de tijd van de vroegste faraos (ca. 3000-2700 v.Chr.). De meeste graven waren net groot genoeg voor een enkele begraving in hurk- (of slaap-)houding. De doden waren niet gebalsemd en lagen meestal op de linkerzij met het hoofd naar het noorden. Het betreft hier lagere ambtenaren, muzikanten en andere stadsbewoners, vermoedelijk afkomstig uit het nabijgelegen Memphis dat door de eerste farao Menes als hoofdstad van het verenigde Egypte was gesticht. De rijkste graven hadden soms nog tientallen grafgoederen: vaatwerk van aardewerk of doorschijnend albast, offertafels, vuurstenen of koperen gereedschap, leistenen paletten en ivoren kokertjes voor cosmetica, en kralensnoeren. Het grootste deel van de vondsten (bijna 1200 voorwerpen) werd na afloop door Egypte aan het RMO geschonken.

Adolf Klasens (rechts) op de opgraving in Aboe Roash
Adolf Klasens (rechts) op de opgraving in Aboe Roash

Het Meroïtische dorp Shokan (1962-1963)
Nubië is de landstreek tussen Aswan in Zuid-Egypte en Khartoem in de Soedan. In de oudheid werd het gaandeweg door de Egyptenaren gekoloniseerd. Daarna werd het land weer zelfstandig onder de zwarte faraos, die een op Egypte geïnspireerde cultuur ontwikkelden. Heel Nubië stond vol met grafheuvels, verlaten nederzettingen, vestingen, tempels en kerken. In 1960 werd bekend dat Egypte een grote dam ging bouwen bij Aswan die een groot deel van deze monumenten zou laten verdrinken. UNESCO deed een oproep aan de lidstaten om gezamenlijk nog zoveel mogelijk te redden. Onder de 51 landen die reageerden was ook Nederland. Twee lange seizoenen werkte Klasens met een team van het RMO in een terrein even ten noorden van de beroemde rotstempels van Aboe Simbel. Hier lag een nederzetting uit de Meroïtische periode (2de-4de eeuw), Shokan geheten. Het dorp bestond uit zon dertig huizen van zongedroogde kleisteen, die uiteindelijk vrij abrupt waren verlaten omdat het dorp steeds verder door stuifzand uit de woestijn werd bedolven. Daaraan is te danken wat de opgravers een Pompeii-effect noemden: overal in de kamers zwierf nog huisraad rond dat een goede indruk geeft van het dagelijks leven van de dorpelingen. De vondsten (meer dan 1200 voorwerpen) werden opnieuw door Egypte aan het RMO geschonken.

Rijk versierde wijnbekers van eierschaalaardewerk,
gevonden bij de opgraving van het Nubische dorp Shokan
Aardewerk, Meroïtische periode (2de-4de eeuw)

De kerk van Abdallah Nirki (1964)
Na afronding van het werk te Shokan verplaatste Klasens de opgravingen naar een ruïneheuvel een kilometer noordelijker, die locaal bekend stond als Abdallah Nirki. De kern van de heuvel bleek gevormd te worden door een nederzetting, met centraal een kerk met goed bewaarde wandschilderingen. De kerk was de best bewaarde van dit type in Egyptisch Nubië, en de wandschilderingen behoren tot het mooiste wat we op dit gebied kennen. Toen ze werden gevonden in januari 1964, was het water van het nieuwe stuwmeer al aan het rijzen langs de Nijloever. Gelukkig kon direct na afloop van de opgravingscampagne zon 30 vierkante meter schildering van de muren worden verwijderd. Deze zijn tegenwoordig te zien in het Nubië Museum in Aswan en het Koptisch Museum in Cairo. Blijkens de schilderingen stamt de kerk uit de 8ste eeuw en heeft hij vermoedelijk dienst gedaan tot in de 15de eeuw, toen ook dit bouwwerk in het stuifzand begon te verdwijnen. Bovendien maakte het Christendom in die tijd ook in Nubië plaats voor de Islam. Overal in de kerk lagen nog voorwerpen: een doopvont, gebroken potten en lampen van aardewerk, een wierookbrander en resten van een houten ikoon en van perkamenten kerkboeken. Al deze voorwerpen zijn nu in het RMO.

wandschildering_Nubische_kerk
Wandschildering uit de Nubische kerk te Abdallah Nirki
Wierookbrander, brons, 10e-15e eeuw

De dierenbegraafplaats van Sakkara (1971-1973)
De afsluiting van de Nubische reddingsprojecten duurde nog jaren. Pas in 1971 ging het RMO opnieuw graven in Egypte, en wel in Sakkara. Sinds 1964 was de Egypt Exploration Society onder leiding van de Engelse archeoloog Emery hier bezig met het onderzoek van een uitgestrekte begraafplaats van heilige dieren uit de Grieks-Romeinse tijd (4de eeuw voor 4de eeuw na Chr.). Ondergrondse gangenstelsels bevatten miljoenen gebalsemde ibissen en valken in aardewerken kruiken, en daarnaast mummies van bavianen en koeien. Voor de catacomben ligt een tempelterras met diverse kapellen voor de eredienst. Het hele terrein ligt vol met de offergaven die hier door vrome pelgrims zijn achtergelaten. Het RMO voegde zich twee seizoenen bij Emerys team. Bij een vondstverdeling door de Egyptische autoriteiten verwierf het RMO (dat ook financieel aan het project had bijgedragen) enkele fraaie voorwerpen uit het terrein.

Mummie van een valk
Mummie van een valk.
Grieks-Romeinse tijd (4de eeuw voor - 4de eeuw na Chr.)

De Nieuwerijks begraafplaats van Sakkara (1975-heden)
Sinds 1975 graaft het RMO in een ander deel van het woestijnplateau van Sakkara, en wel op de begraafplaats van de hoogste ambtenaren uit het Nieuwe Rijk, de tijd van faraos als Achnaton, Toetanchamon en Ramses II (ca. 1400-1200 v.Chr.). Dit terrein werd rond 1825 door kunstrovers ontdekt en geplunderd, en de opbrengst werd daarna in Europa verkocht. Zo heeft ook het RMO een prachtige collectie opgebouwd, zonder dat de precieze vindplaats daarvan bekend was. Er was echter een kaart uit de 19de eeuw waarop de positie van enkele van deze graven stond aangegeven. In 1975 startte een team van het RMO en de Egypt Exploration Society hier nieuwe opgravingen. Het werk stond onder leiding van Geoffrey Martin (assistent van de inmiddels overleden Emery), met Hans Schneider (conservator van het RMO) als tweede man. Onder de studenten waren ook René van Walsem en Maarten Raven die sinds 1999 de leiding van het project hebben overgenomen; de Engelsen hebben zich namelijk in dat jaar teruggetrokken en het RMO werkt er sindsdien samen met de Leidse universiteit. Met behulp van de kaart werd de plaats in de woestijn uitgezet. Binnen een week kwam het eerste graf uit de gezochte periode tevoorschijn.
Maarten Raven en René van Walsem
Opgravingsleiders Maarten Raven en René van Walsem
bij het beeld van hogepriester Meryneith en zijn vrouw,
dat zij vonden in 2001 (Sakkara).

Sindsdien is de expeditie daar steeds voortgegaan. Inmiddels zijn al twaalf grote grafmonumenten blootgelegd. De belangrijkste daarvan zijn de graven van Meryneith (rentmeester van de zonnetempel ten tijde van Achnaton), Ptahemwia (schenker des konings van Achnaton), Horemheb (generaal van Toetanchamon en later zelf farao geworden), Maya (minister van financiën van Toetanchamon), Pay (haremdirecteur van Toetanchamon), en Tia (directeur van het schathuis onder Ramses II). De gevonden Nieuwerijks graven hebben de vorm van vrijstaande rechthoekige graftempels. De graven zijn gebouwd van zongedroogde kleistenen; alleen de vloeren, plafonds, deurlijsten en zuilen zijn van kalksteen. Meestal bestaan de monumenten uit een poortgebouw, een open binnenhof, en een aantal kapellen waar voedsel en drank voor de overledene werden neergelegd. De wanden van de binnenhof en de middenkapel dragen meestal reliëfs op kalksteenplaten, met afbeeldingen van het leven van de overledene, zijn begrafenis, en zijn verering van de goden van het hiernamaals. De zijkapellen hebben soms prachtig gekleurde schilderingen op modderpleister. In het midden van de hof opent de verticale schacht naar de ondergrondse grafkamers. Hier liggen meestal nog resten van de aan de dode meegegeven bezitingen, waarvan we veel leren over het dagelijks leven en het geloof in het hiernamaals van de oude Egyptenaren.
Een interessant aspect van het onderzoek is dat de onderzoekers nu van allerlei beelden en blokken die in de musea te zien zijn de oorspronkelijke vindplaats kunnen vaststellen. Zo bezit het RMO sinds de vroege 19de eeuw belangrijke reliëfs van Horemheb en een drietal grafbeelden van Maya en zijn vrouw Merit. Het onderzoek levert dus kostbare informatie over de eigen collectie van het RMO. Voorwerpen levert het werk in Egypte niet meer op, omdat de export van oudheden in 1986 geheel werd verboden.
Reliëf uit het graf van Ptahemwia
Reliëf uit het graf van Ptahemwia (1353-1335 v. Chr.),
met voorstelling van spelende aapjes met dadels.
Opgraving Sakkara 2007.

Tentoonstelling
De geschiedenis van deze opgravingen is nog niet eerder geschreven. Wel zijn er veel informatiebronnen te vinden, zowel binnen als buiten het museum: reisverslagen, tekeningen en aquarellen, brieven en dagboeken, fotos en dias, plattegronden, artikelen voor het grote publiek of voor de vakman, vondstlijsten en manuscripten. Deze zijn samengebracht in de RMO-tentoonstelling Hakken in het zand (29 november 2007 t/m 11 mei 2008). Aan de hand van voorwerpen, documenten, fotos en filmbeelden wordt daar geprobeerd een impressie te geven van wat de Nederlandse archeologen bewoog, wat zij gevonden hebben, en hoe zij te werk gaan. Bij de tentoonstelling is een boekje verschenen: Hakken in het zand, waarin de wetenschappelijke en inhoudelijke aspecten van de eigen RMO-opgravingen van de laatste vijftig jaar aan bod komen.