| objectnummer | 1225-36 |
| objectnaam | bessenmand |
| datering | 1870-1880 |
| materiaal | sparrenwortels, varenvezels |
| afmetingen | H. 31.0 cm Dm. 33.0 cm |
| verwerving | 1899 NAMER aankoop |
| geografische herkomst | Alaska |
| culturele herkomst | Tlingit |
Deze mand werd gebruikt voor het verzamelen van bessen. Een patroon van varenvezels is door de mand gevlochten.
De kunst van het mandenvlechtwerk was aan de Amerikaanse Noordwestkust hoog ontwikkeld. Het werd door vrouwen gedaan. Ze beschikten over verschillende vlechttechnieken, die elk hun eigen dichtheid, soepelheid en structuur opleverden. Afhankelijk van het doel waar de mand voor bestemd was, werd de juiste vorm, maat en andere eigenschappen bepaald. De vrouwen maakten speciale manden voor onder andere het verzamelen van schelpdieren en knolgewassen, het bewaren van voedsel, het bereiden van gerechten, het opbergen van visgerei, huisraad en persoonlijke bezittingen, en voor ceremoniële voorwerpen.
Als basismateriaal dienden de wortels van sparren en ceders, of de binnenste bast van de rode ceder die in vezels uiteen werd gerafeld. Daardoorheen vlochten de vrouwen geometrische figuren van andere materialen: rode of zwartgeverfde bast van de wilde kers, varensnerven en crèmekleurige grassen. Uit de rode els werd een rode verfstof gewonnen. Zwart vlechtmateriaal werd ook verkregen door plantenvezels een tijd lang in zwarte moerasmodder te bewaren. Tegenwoordig worden ook maïsbladeren gebruikt.