| objectnummer | 286-2 |
| objectnaam | Jas |
| datering | 1875 (ca) |
| materiaal | dierenhuid; rendierenbont ; laken |
| afmetingen | L 120 cm ; B 60 cm |
| verwerving | 1881 CIRCU aankoop |
| geografische herkomst | Russische Federatie |
| culturele herkomst | Nentsi |
Tijdens een van zijn pogingen per schip langs het noorden van Europa en Azië naar Indië te komen, ontdekte de Nederlandse zeeman en cartograaf Willem Barentsz. (ca.1550-1597) in 1594 het eiland Nova Zembla. Bijna drie eeuwen later voer een naar hem genoemd onderzoeksschip tijdens een poolreis in dezelfde contreien en bracht ook een bezoek aan Nova Zembla. Het was tijdens dit bezoek dat onder andere de hier afgebeelde jas werd verzameld.
De maker en gebruiker van deze jas zullen vrijwel zeker behoord hebben tot de op het eiland woonachtige Samojeden. Deze bevolkingsgroep, tegenwoordig ook wel Nentsi genoemd, treft men aan in diverse streken van het noorden van Rusland, waaronder het eiland Nova Zembla. Een van hun belangrijkste middelen van bestaan was en is de rendierteelt en dat verklaart wellicht waarom deze opvallend bont gekleurde en uitbundig versierde jas grotendeels is gemaakt van rendierhuid. Naast rendierhuid, onder andere als smalle strips in geometrische patronen verwerkt, is ook gebruik gemaakt van hondenhuid. Die treft men ondermeer aan bij de voorsluiting en in smalle stroken aan de onderzijde van de jas. Opmerkelijk is dat de maker naast de inheemse huiden ook gebruik heeft gemaakt van stukken rood, zwart, oranje en groen gekleurd vilt, die de Samojeden slechts via ruilhandel konden verkrijgen. De afwerking van deze jas in het algemeen en het gebruik van materialen als hondenhuid en vilt in het bijzonder, rechtvaardigen een vermoeden dat het zeker geen alledaagse jas is geweest en dat hij slechts op hoogtijdagen zal zijn gedragen.
Een opmerkelijk detail is het feit dat aan de mouwen wanten zljn vastgenaaid. Ofschoon niet ongebruikelijk bij jassen van de Samojeden en enkele andere Siberische volken zijn zij, merkwaardigerwijze, als een van de weinige in de poolstreken woonachtige volkeren op het lumineuze idee gekomen op deze wijze de koude nog meer uit de kleren te houden. Was het ondanks alles toch noodzakelijk de handen uit de mouwen te steken, dan bood een gleuf aan de bovenzijde van de wanten daartoe een mogelijkheid.