| objectnummer | 3790-278 |
| objectnaam | beitel |
| datering | voor 1961 |
| materiaal | rotan ; ijzer ; schilreep |
| afmetingen | L 21.5 cm |
| verwerving | 1961 OCEAN aankoop |
| geografische herkomst | Merauke- district |
| culturele herkomst | Amanamkai |
Deze beitel heeft toebehoord aan de befaamde Asmat houtsnijder Matjemos. Met dit soort kleinere beiteltjes verrichtte hij het fijnere houtsnijwerk, nadat hij het hout eerst met een bijl en een lange steekbeitel ruw vorm had gegeven. Hij dreef de beitel in het hout door met een klopsteen op het uiteinde van het handvat te slaan. Het ijzer van deze beitel bestaat uit een spijker, waarvan de kop is plat gehamerd. De bandjes van gevlochten rotan beschermen het handvat tegen splijten.
Tot halverwege de twintigste eeuw waren stenen bijlen, dierentanden, dierenbotten en schelpen het enige gereedschap van de Asmat. Stenen bijlen verkregen ze door ruilhandel met mensen uit het binnenland. Bijlen waren daardoor kostbaar en zó heilig, dat zij naar voorouders genoemd werden. Voor fijn houtsnijwerk gebruikten de Asmat de slagtanden van varkens of de tanden van een bepaalde vis. Oesterachtige schelpen werden gebruikt om te schrapen en te schuren. Beitels werden gemaakt van het dijbeen van de kasuaris, een grote loopvogel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen de Asmat in aanraking met metalen gereedschap. Tegenwoordig hebben ijzeren bijlen, beitels van platgeslagen spijkers en metalen messen de traditionele werktuigen bijna geheel vervangen.