| objectnummer | 5614-33 |
| objectnaam | gerei, kaarder |
| datering | voor 1990 |
| materiaal | hout ; ijzer |
| afmetingen | |
| verwerving | 1990 AFRIK aankoop |
| geografische herkomst | Djenne |
| culturele herkomst | Dogon |
In West-Afrika wordt voor het weven vrijwel altijd katoen gebruikt. De katoenplant komt vermoedelijk uit Zuid-Azië. De oudste katoenzaden in Afrika zijn bij opgravingen in Nubië (Sudan) gevonden. Deze kunnen worden gedateerd in het 3e millennium v. Chr. Pas vanaf de 4e eeuw vindt men daar ook geweven katoen en wol. Gegevens over West-Afrika zijn schaars. De oudst bekende geweven katoen uit deze regio stamt uit de 11e eeuw en is gevonden in de grafgrotten van de Tellem, een volk dat tot de 16e eeuw langs de Falaise de Bandiagara, een steile rontswand in Mali, nabij de rivier de Niger. De totale beheersing van de weeftechniek die uit deze vondst blijkt, toont duidelijk aan dat het weven toen al lang bekend moet zijn geweest.
Om te reconstrueren hoe de Tellem hun stoffen maakten, kijken we naar de weeftechniek van de huidige bewoners van West-Afrika. Bijvoorbeeld van de Dogon, die nu in het Tellem-gebied wonen.
Voordat de ruwe katoen tot draden kan worden gesponnen, moet deze ontpit en gekaard worden. Ontpitten is het verwijderen van de zaadjes uit de katoenpluis. Dit wordt gedaan door de ruwe katoen op een platte steen of houten blok te leggen en er een ijzeren of bronzen staafje overheen te rollen. Kaarden is een behandeling om de vezels in dezelfde richting te leggen. Vroeger sloeg men op de katoen met een eenvoudige bespannen boog, een zogeheten katoenboog. Tegenwoordig gebruiken de Dogon hiervoor twee kammen, waarmee zij de vezels in één richting trekken.