| objectnummer | 5910-5 |
| objectnaam | pijp |
| datering | 1997 |
| materiaal | steen, catliniet; hout |
| afmetingen | L 56 cm |
| verwerving | 1998 NAMER aankoop |
| geografische herkomst | U.S.A. |
| culturele herkomst | Sioux |
Indiaanse pijpen bestaan in de regel uit twee delen: een stenen pijpenkop en een houten steel. Beide zijn vaak versierd. Pijpenkoppen zijn er in vele varianten. Heel geliefd was een door ijzeroxide verkleurd aluminiumsilikaat dat in een steengroeve in Zuidwest-Minnesota werd gedolven. Die steensoort is zacht en daardoor goed bewerkbaar, en heeft een fraaie bloedrode kleur. Omdat de Amerikaanse schilder George Catlin hierover als eerste berichtte, wordt deze steensoort catliniet genoemd. Ook spreekt men van 'pijpsteen' en het stadje waar de groeve ligt, heet Pipestone. De groeve is tegenwoordig een nationaal monument, dat door Indianen wordt beheerd.
De uitvoering van de pijpenstelen was afhankelijk van het gebruik. Als tot oorlog was besloten werd een rode steel gebruikt, versierd met de veren van een mannetjesadelaar. Krijgers dansten rondom de pijp, alvorens hem te roken. De steel van de pijp die vrede bezegelde, was blauw en versierd met veren van een vrouwtjesadelaar. Deze pijp werd meegenomen als men bij naburige stammen op bezoek ging of met hen handel wilde drijven. Het was een verklaring van goede wil.