Het doorboren van de neus komt voor bij de Papoea's. Die wonen in Nieuw-Guinea, aan het andere eind van de wereld. Wanneer jongens officieel volwassen worden, is het groot feest. Ze worden ingewijd in de wereld van de volwassen mannen. Tijdens dat feest wordt hun neus doorboord.
In het neustussenschot, dat is het harde stukje tussen de twee neusgaten, wordt een gat geboord en daarna wordt er een sierlijk gesneden stuk bot of schelp doorheen gestoken. Zo kan iedereen zien dat een jongen ingewijd is, en van nu af aan een echte man is.
Toen de Europeanen naar Nieuw-Guinea kwamen, vonden zij dat net als jij maar een raar gebruik. En het deed nog pijn ook, want de jongens werden niet verdoofd. De missionarissen, die het christelijk geloof onder de bevolking wilden verspreiden, zeiden dat het afgelopen moest zijn met het neusdoorboren. Vandaar dat het tegenwoordig nog maar zelden gebeurt. Maar het inwijdingsfeest voor jongens wordt nog altijd groots gevierd. En er zijn ook nog altijd mannen die de traditie in ere houden, en bij feesten hun neusbot toch weer indoen.
Namens het Rijksmuseum voor Volkenkunde