Het gebruik van kralen is bijna universeel. Vrijwel overal ter wereld gebruiken mensen kralen als lichaamsversiering, als amulet of ter verfraaiing van een gebruiksvoorwerp of ritueel object. Archeologisch onderzoek toont aan dat kralen van alle tijden zijn. De diversiteit aan vormen en materialen is enorm: pitten, zaden, schelpen, hout, aardewerk, glas en tegenwoordig vaak plastic.
Het feit dat zoveel verschillende volken over kleine felgekleurde glazen of plastic kraaltjes beschikken, heeft alles te maken met de handel en vooral met de Europese expansie. Aanvankelijk fabriceerden mensen de kralen van materialen die plaatselijk voorhanden waren. De Indianen van Noord-Amerika versierden hun kleren en mocassins met pennen van stekelvarkens, geverfd met natuurlijke verfstoffen. De Inuit maakten kralen van been en ivoor, bijvoorbeeld van de ruggenwervels van ammassat, een vissoort, en van de tanden van prooidieren als zeehond en ijsbeer. In Afrika werden kralen van allerlei materialen gemaakt, bijvoorbeeld van schelpen en van aardewerk. Bij de Papoea's van Nieuw-Guinea waren zaden, pitten en schelpen populair.
Op al deze plekken moest de lokale productie op een gegeven moment wijken voor de massale import van kleurige glazen kralen uit Europa. Venetië was de absolute marktleider, met prachtige zogeheten millefiori (duizend bloemen) kralen. Maar ook Nederland had een aanzienlijke kralenindustrie. Kralen bleken namelijk een lucratief handelsproduct: klein, niet bederfelijk en zeer gewild bij de diverse afnemers. Zo waren kralen naast rum en textiel één van de ruilmiddelen in de West-Afrikaanse slavenhandel. Op de Amerikaanse Plains ruilden pelshandelaren de Europese kralen tegen dierenhuiden.
Veelal leidden de nieuwe kralen tot nieuwe mode-ontwikkelingen. Zo is de kleurige kralenkraag die nu zo karakteristiek is voor het Groenlandse nationale vrouwenkostuum, in de loop van de twintigste eeuw ontstaan. Indiaanse vrouwen op de Plains ontwikkelden allerlei steken om kralen in patronen op kleding, schoeisel en bijvoorbeeld tabakszakken te borduren. Tegenwoordig komen dergelijke producten, vaak gemaakt met geïmporteerde plastic kralen uit Europa, Japan of Korea, maar met een geheel eigen, lokale stijl, als toeristenkunst weer bij ons terecht.
Namens het Rijksmuseum voor Volkenkunde
Het gebruik van kralen is bijna universeel. Vrijwel overal ter wereld gebruiken mensen kralen als lichaamsversiering, als amulet of ter verfraaiing van een gebruiksvoorwerp of ritueel object. Archeologisch onderzoek toont aan dat kralen van alle tijden zijn. De diversiteit aan vormen en materialen is enorm: pitten, zaden, schelpen, hout, aardewerk, glas en tegenwoordig vaak plastic.
Het feit dat zoveel verschillende volken over kleine felgekleurde glazen of plastic kraaltjes beschikken, heeft alles te maken met de handel en vooral met de Europese expansie. Aanvankelijk fabriceerden mensen de kralen van materialen die plaatselijk voorhanden waren. De Indianen van Noord-Amerika versierden hun kleren en mocassins met pennen van stekelvarkens, geverfd met natuurlijke verfstoffen. De Inuit maakten kralen van been en ivoor, bijvoorbeeld van de ruggenwervels van ammassat, een vissoort, en van de tanden van prooidieren als zeehond en ijsbeer. In Afrika werden kralen van allerlei materialen gemaakt, bijvoorbeeld van schelpen en van aardewerk. Bij de Papoea's van Nieuw-Guinea waren zaden, pitten en schelpen populair.
Op al deze plekken moest de lokale productie op een gegeven moment wijken voor de massale import van kleurige glazen kralen uit Europa. Venetië was de absolute marktleider, met prachtige zogeheten millefiori (duizend bloemen) kralen. Maar ook Nederland had een aanzienlijke kralenindustrie. Kralen bleken namelijk een lucratief handelsproduct: klein, niet bederfelijk en zeer gewild bij de diverse afnemers. Zo waren kralen naast rum en textiel één van de ruilmiddelen in de West-Afrikaanse slavenhandel. Op de Amerikaanse Plains ruilden pelshandelaren de Europese kralen tegen dierenhuiden.
Veelal leidden de nieuwe kralen tot nieuwe mode-ontwikkelingen. Zo is de kleurige kralenkraag die nu zo karakteristiek is voor het Groenlandse nationale vrouwenkostuum, in de loop van de twintigste eeuw ontstaan. Indiaanse vrouwen op de Plains ontwikkelden allerlei steken om kralen in patronen op kleding, schoeisel en bijvoorbeeld tabakszakken te borduren. Tegenwoordig komen dergelijke producten, vaak gemaakt met geïmporteerde plastic kralen uit Europa, Japan of Korea, maar met een geheel eigen, lokale stijl, als toeristenkunst weer bij ons terecht.
Namens het Rijksmuseum voor Volkenkunde