printen     versturen    

De afschaffing van de slavernij

In tegenstelling tot Nederland bestond in Engeland aan het einde van de 18de eeuw een sterke beweging tegen slavernij en slavenhandel. Onder druk van deze beweging schafte Engeland in 1834 de slavernij af. Nederland volgde pas in 1863. Dertig jaar na Engeland en vijftien jaar na Frankrijk. Onderstaande hoofddoek is gemaakt - en waarschijnlijk ook gedragen - ter gelegenheid van de afschaffing van de slavernij in 1863.

   
Anjisa (hoofddoek) die herinnert aan de afschaffing van de slavernij (RMV 2452-373) Pop in zogeheten 'kotomissie'-kostuum met anjisa  (RMV 2667-2)

Na de afschaffing van de slavernij in Suriname bleef de macht in handen van het blanke koloniale bestuur. Het bestuur had vooral oog voor de plantage-eigenaren. Per 'verloren' slaaf kregen de planters een vergoeding, de slaven moesten het zelf uitzoeken. De meeste ambachtsslaven vertrokken naar Paramaribo en begonnen een eigen zaak. De huisslaven trokken naar de stad en konden vaak met moeite een betrekking vinden. Velen vervielen in armoede en probeerden het hoofd boven water te houden door verkoop van eigengemaakte voorwerpen of voedsel. De voormalige veldslaven waren slechter af dan de ambachtsslaven. In veel gevallen waren ze verplicht nog enkele jaren tegen zeer laag loon op de plantage te werken.

Na de afschaffing van de slavernij zochten de plantagehouders naarstig naar arbeiders die de plaats van de slaven konden innemen. Die werden gevonden in Oost-Indië. Men bood de arme Hindoestaanse bevolking van Brits en Nederlands Indië een arbeidscontract van vijf jaar om in Suriname op plantages te werken. Ondanks de lage lonen sloeg het aanbod aan. Van 1890 tot 1939 emigreerden 32.956 Javaanse en Indiase contractarbeiders naar Suriname. De nakomelingen van die contractarbeiders vormen nu de grootste bevolkingsgroep (40%) van Suriname.

Copyright Hans en Laura Samsom
Het Slavernijmonument in Amsterdam
(Copyright Hans en Laura Samsom)