printen     versturen    

Een ceremonieel huis van de Abelam (Papoea Nieuw Guinea)

In het Rijksmuseum voor Volkenkunde is het interieur te zien van een ceremonieel huis van de Abelam, een volk uit Nieuw-Guinea. Zo'n huis wordt gebruikt voor initiatie-riten: mannen leren er de wereld van de geesten en de voorouders kennen. Kennis die onontbeerlijk is voor het kweken van yamknollen. Want tussen yamknollen en voorouders is er een mysterieus verband.

Initiatie bij de Abelam

De Abelam vormen een etnische groep van circa 40.000 mensen. Zij wonen in talrijke dorpen in de zuidelijke uitlopers van de Prince Alexander Mountains en het heuvelland ten noorden van de Sepik-rivier, in het noordoostelijk deel van Nieuw-Guinea (East Sepik Province, Papoea Nieuw Guinea). In de cultuur van de Abelam spelen de lange yamknollen een grote rol. Dat is niet alleen voedsel, maar de knollen hebben ook een grote symbolische waarde en een ceremoniële functie.

De Abelam hebben een ingewikkeld systeem van initiatie-riten. Het woord daarvoor, maira, verwijst ook naar alle heilige voorwerpen - beelden, schilderingen, muziekinstrumenten e.d. - die een rol spelen in de initiatie-riten. De initiatie-riten in het Abelamgebied zijn van dorp tot dorp verschillend, maar ze hebben wel een vergelijkbare structuur. De initiatie-riten hangen nauw samen met de ceremoniële geestenhuizen (korombo in de Abelamtaal, haus tambaran in de voertaal, het Melanesisch Pidgin; in het populaire spraakgebruik ook wel 'mannenhuizen' genoemd). In de geestenhuizen worden speciaal voor de initiatie-riten vervaardigde kunstwerken opgesteld.

Het tijdstip van de initiatie wordt mede bepaald door het moment waarop de yamknollen geoogst worden. De verbouw van de ceremoniële yamknollen is omgeven met allerlei beperkingen (taboes) en rituelen. De mannen moeten zich in de oogsttijd bijvoorbeeld onthouden van sexuele activiteit en mogen geen vlees eten. De geoogste yamknollen worden naar het dorp gebracht en versierd (o.a. met houten en gevlochten maskers en schelpsieraden) om dan plechtig tentoongesteld te worden op het ceremoniële plein voor het geestenhuis. De knollen zijn net zo uitgedost als mannen en vrouwen in feesttooi. Ze zijn dan als het ware bezielde voorouders geworden. Daarna worden zij ritueel uitgewisseld tussen ceremoniële ruilpartners.

Yam-masker, RMV 5526-76

Initiatie is voorbehouden aan mannen. Gedurende een periode van afzondering moeten zij zich houden aan de taboes en geestelijke en lichamelijke beproevingen ondergaan. Ook leren zij de geheimen van magische praktijken. Tijdens de initiatie worden de mannen ingewijd in twee met elkaar samenhangende cultussen: de vooroudercultus en de yamcultus. Geleidelijk aan krijgen zij een steeds uitgebreidere kennis van de geestenwereld, die hen in staat stelt om succesvolle kwekers van ceremoniële yamknollen te worden.

De initiatie verloopt in verschillende fasen, met soms jarenlange pauzes ertussen. Tot welke initiatie-fase een Abelam-man gevorderd is, is af te lezen aan de motieven op zijn draagnet. Het draagnet met een ingewikkelder patroon hoort bij de hogere fasen. Vaak is een man al van middelbare leeftijd voordat hij in de hoogste fase wordt ingewijd.

Draagnetten die verwijzen naar verschillende fasen van initiatie. Het draagnet links (RMV 5526-383) behoort tot een lagere fase, het draagnet rechts (RMV 5526-375) tot een hogere.

De mannen krijgen in iedere initiatiefase weer met andere voorwerpen te maken. In de lagere fasen zien zij vlechtwerk, daarna schilderingen en in de hogere fasen houtsnijwerk. Het houtsnijwerk zien zij eerst in de vorm van een kop, pas daarna als complete figuur. Grote beelden van clanvoorouders worden eerst liggend en in de hoogste fase zittend opgesteld.
De voorbereiding op een initiatie-ritueel kan maanden, zelfs jaren in beslag nemen. Zeker in de hoogste fasen, wanneer de mannen oog in oog komen met de voorouders en hun mythische wereld. Daarvoor maken de mannen die de inwijding verzorgen, grote hoeveelheden houtsnijwerken en schilderingen. Dit werk wordt verricht op een geheime plek in het oerwoud in de buurt van het dorp. Deze plek is niet toegankelijk voor vrouwen, kinderen en mannelijke niet-ingewijden. Wanneer de kunstwerken af zijn, worden ze geplaatst in het ceremoniële huis. Ook dat huis is verboden terrein voor vrouwen en kinderen. Hier volktrekt zich het initiatie-ritueel.

Aan het eind van het initiatie-ritueel worden de mannen die de initiatie hebben ondergaan, prachtig beschilderd en versierd. Ze krijgen onder andere een grote hoofdtooi opgezet. Zo zijn ze opgetuigd als tijdelijke reïncarnaties (wedergeboortes) van de voorouders die ze in het geestenhuis voor het eerst hebben mogen aanschouwen. De geïnitieerde neemt als het ware de identiteit aan van de voorouder én van de yamknol. Alledrie zijn ze op dezelfde wijze beschilderd en versierd. Vervolgens paraderen de nieuw ingewijde mannen op het ceremoniële plein voor het geestenhuis, onder het toeziend oog van de grote beschilderde koppen van belangrijke clanvoorouders op de voorgevel van het geestenhuis.

Het ceremoniële huis

In het Rijksmuseum voor Volkenkunde is het interieur van een ceremonieel huis te zien, afkomstig uit het Abelam-dorp Apangai. De houtsnijwerken en schilderingen zijn speciaal gemaakt voor een initiatieritueel in 1984. Na zo'n ritueel worden de beelden en schilderingen verwijderd. Bij een volgende initiatie wordt het mannenhuis dan weer gevuld met voor die speciale gelegenheid nieuw vervaardigde, opstellingen. Daarom hadden de bewoners van Apangai er geen bezwaar tegen om dit interieur aan het museum te verkopen.

 
 De Gambawut-ruimte in het ceremoniële huis van Apangai

In het ceremoniële huis van Apangai bevonden zich vier ruimten, alle met hun eigen inrichting en functie. De opstelling die in het museum te zien is, komt uit de derde ruimte, die Gambawut heet en zich in het achterste gedeelte van het geestenhuis bevindt. Deze ruimte is ongeveer 8,5 meter lang en tussen 7 en 3 meter breed (de ruimte loopt naar achteren smaller toe). De centrale figuur is een voorouderbeeld van meer dan twee meter. Dichtbij de beide hoeken in het achterste gedeelte bevonden zich twee liggende spleettrommen. Deze ceremoniële muziekinstrumenten, die al vele jaren in gebruik zijn, behoren tot de vaste inventaris van een geestenhuis en worden niet na een initiatie verwijderd. Daarom ontbreken ze in de museumopstelling: ze zijn terecht in Apangai achtergebleven.

Centraal in de ruimte is een zittende figuur opgesteld met gespreide, enigszins opgetrokken benen en de ellebogen op de knieën. Deze figuur is 216 cm hoog en stelt de belangrijke clanstichter Tappoka voor. Eerder, in een andere ruimte, hebben de mannen die geïnitieerd worden, deze voorouder al eens liggend gezien. Rechtopzittend is hij nog indrukwekkender. De kop en de romp zijn uit één stuk hout gesneden. De armen en benen bestaan uit stokken die zijn omwikkeld met bladeren en plantaardige vezels. Op enkele plaatsen zijn de armen en benen versierd met wikkels van blikjes vis. Een moderne toevoeging die niet alleen voor de sier is, maar vooral dient als statussymbool; het herinnert de toeschouwers aan het prestigieuze voedsel van de blanken dat genuttigd werd tijdens het initiatie-ritueel.

Detail van het linkerbeen van Tappoka, versierd met wikkels van blikjes vis (RMV 5526-386-21d) 

Achter Tappoka bevindt zich een een uitzonderlijk groot, uit één stuk gesneden driehoekig houtsnijwerk, gemaakt van een boom met plankwortels en geheel met snijwerk in reliëf versierd. Dit stelt het draagnet van de clanvoorouder voor. Op de zijkanten is de inhoud van dit mythische draagnet zichtbaar: een voorstelling van de geestenwereld waarin dierfiguren en kosmische elementen zijn opgenomen.

Een recent motief is tussen de traditionele motieven opgenomen, namelijk het staatsembleem van Papoea Nieuw Guinea, bestaande uit paradijsvogel, trom en speren. Zeer opmerkelijk is de kop van een koe, die aan de bovenkant is uitgesneden. Deze verwijst naar het feit dat de groep die de initiatie heeft verzorgd nog een koe tegoed heeft van de groep die de initiatie heeft ondergaan. Een dergelijke koe, die verkregen kan worden op een missiepost, zou als betaling moeten dienen voor geleverde diensten, zoals het maken van dit kunstwerk.

De Gambawut-ruimte in het Rijksmuseum voor Volkenkunde

Wat in het museum ontbreekt is een lage omheining in een halve cirkel, waarbinnen de aarde bedekt is met gekleurde bladeren, witte stenen en niet-eetbare oranje en gele siervruchten. Wel aanwezig is een reusachtige kleurrijke wand vanaf de grond tot aan het dak. Deze wand is van boven tot onder met schilderingen en houtsnijwerken bedekt. De vier grote gezichten op het bovenste deel van de achterwand stellen vrouwelijke geesten uit het oerwoud voor. Op het fries prijken voornamelijk de gezichten van voorouders. De twee grote panelen onder het fries tonen de afbeeldingen van mythische clanvoorouders. De mannelijke figuur wordt als de schepper van de lange yamknollen beschouwd. De motieven op de schilderingen verwijzen naar mythen en de yamcultus. Zo toont deze bijzondere opstelling als geheel de relatie tussen de mens, de wereld van de voorouders en geesten, de natuur en de kosmos.

Fries op de achterwand van de Gambawut-ruimte (RMV 5526-0-38)

Omdat deze opstelling zo betekenisvol is, en Abelam-mannen hem pas na een jarenlange voorbereiding te zien krijgen (en vrouwen en kinderen zelfs helemaal niet!), wilden de Abelam wel weten waar de voorwerpen terecht zouden komen. Van een museum konden ze zich maar moeilijk een voorstelling maken. Maar na de uitleg dat een museum een soort 'mannenhuis voor blanken' was, waren ze gerustgesteld.