printen     versturen    

Geschiedenis van de Dogon

Over de geschiedenis van de Dogon is nog weinig bekend. Waarschijnlijk zijn ze vanuit verschillende gebieden en in verschillende perioden van de geschiedenis gevlucht voor oorlogen en slavenjachten naar het ontoegankelijke bergland.
Beter gedocumenteerd is de kennismaking met het westen. Zeker sinds de Franse kolonisatie, nu ruim een eeuw geleden, hebben de Dogon de aandacht van westerse onderzoekers getrokken.

Veel Dogon vertellen dat hun voorouders uit Mande, het kerngebied van het oude rijk van Mali ten zuidwesten van Bamako, weggetrokken zijn en in de 15e eeuw bij de Falaise zijn aangekomen. Deze datering wordt bevestigd door archeologisch onderzoek en het onderzoek van Griaule in de Dogon-maskergrot van Ibi. Daar werden negen Sigi -maskers aangetroffen. Aangezien slechts eens in de zestig jaar zo'n masker wordt gemaakt, zou dat betekenen dat het oudste masker dus rond 1400 gemaakt moet zijn.

Bij de Falaise ontmoetten zij de laatste afstammelingen van de Tellem, een volk dat daar van de 11e tot de 16e eeuw leefde. De Tellem zijn als volk verdwenen, waarschijnlijk als een gevolg van hongersnood en epidemieën, maar er zijn stille getuigen van hun vroegere aanwezigheid. In de grotten van de Falaise bewaarden zij hun graan en begroeven zij hun doden. In de voorraadgrotten zijn de resten van lemen graanschuurtjes aangetroffen. In de grafgrotten zijn niet alleen de skeletten teruggevonden, maar ook resten van de katoenen kleding en dekens waarin de doden werden gewikkeld en de grafgiften die aan de doden werden meegegeven. In de droge, koele grotten waren deze goed geconserveerd.
In de 19e eeuw zijn sommige Dogon onderworpen door de Fulbe (Peul) en Toucouleur.

In 1893 werd Mali door Frankrijk gekoloniseerd. Het bleek heel wat moeilijker om de steile rotswand van Bandiagara te bezetten. Met betrekkelijk eenvoudige wapens wisten de Dogon de Fransen tegen te houden. Pas in 1920 werd het laatste Dogondorp op de Berg Tabi bij de Franse kolonie ingelijfd. Na een dagenlange zware kanonbeschieting door 150 Franse soldaten moesten de 70 vrijheidsstrijders zich uiteindelijk gewonnen geven. Het dorp werd met de grond gelijk gemaakt en de bewoners gedeporteerd. De slag om Tabi geldt als symbool van het verzet van de Dogon tegen iedere overheersing en is een van de roemrijke bladzijden uit de geschiedenis van Mali.

Op zoek naar de Dogon

De eerste Europeaan die het gebied van de Dogon bezocht, was de Duitse taalkundige en antikolonialist Gottlob Adolf Krause (1850-1938). In 1886 reisde hij te voet van Ghana naar Bandiagara om toestemming te vragen aan Tidjani Tall (1864-1887), heerser van het Toucouleur-rijk, om de stad Tombouctou te bezoeken. Dat werd hem geweigerd vanwege de onveilige situatie.
In 1889 verwierf het Rijksmuseum voor Volkenkunde zijn omvangrijke collectie, waarin zich ook voorwerpen uit het Dogongebied bevinden. Dit zijn de eerste voorwerpen die uit dit gebied naar Europa kwamen.

Vanaf het begin van de Franse kolonisatie hebben de Dogon pas echt de aandacht van het Westen getrokken. Het onderzoek in het Dogongebied begint met de Franse Luitenant Desplagnes die in 1907 het resultaat van zijn ontdekkingstocht in de Bocht van de Niger publiceert in een monumentaal en rijk geïllustreerd boek, Le Plateau Central Nigérien.

De Dogon worden bij een breed publiek in Frankrijk bekend door de serie van veertien ansichtkaarten die rond 1906 zijn gemaakt door Edmond Fortier (1862-1918), een beroemde fotograaf uit Dakar.

Dogon mannen dansend op de rand van het Plateau de Bandiagara. Ansichtkaart van Fortier 1906

De Duitser Leo Frobenius (1873-1938), die van 1907 tot 1909 tijdens de tweede Deutsche Inner-Afrikanische Forschungs-Expedition (DIAFE 2) het huidige Mali en Burkina Faso bezocht, gaf in 1911 zijn dagboeken uit onder de titel Auf dem Wege nach Atlantis. Zijn reisgezel en tekenaar F. Nansen schilderde een aantal dorpsgezichten en portretten.

Dogondorp met toguna. Schilderij van F. Nansen ca. 1908

De schrijver en diplomaat Paul Morand (1888-1944) trok in 1928 per auto van Parijs naar Tombouctou. Over hoe hij die auto onderaan de Falaise kreeg, schrijft hij in zijn reisverhaal Paris-Tombouctou:

"Om zes uur in de ochtend zijn we uit Bandiagara vertrokken. We stijgen tussen de rotsen waar dorpen tussen verborgen liggen die heel anders zijn dan de dorpen die we zojuist achter ons hebben gelaten. Een uur later arriveren we bij de Falaise. Het landschap stort plotseling voor onze voeten in; ook de weg verdwijnt in het niets. Drie of vierhonderd meter steil omlaag begint de vlakte van de Boven-VoltaMen laat onze auto's aan touwen naar beneden zakken. De touwen worden stevig vastgehouden door veertig Habé, prachtige, zeer zwarte wilden, met gevijlde voortanden, naakt, met rond hun hoofd alleen een band van witte schelpen."

Wie niet zo ver wilde of kon reizen, bezocht in die tijd een wereldtentoonstelling. Bijvoorbeeld de Exposition Coloniale Internationale te Parijs in 1931, die meer dan acht miljoen bezoekers trok. Een groep dansers uit het Dogongebied verzorgde er optredens voor een zeer talrijk publiek. Onder dat publiek bevond zich waarschijnlijk Marcel Griaule, de man die de Dogon hun wereldwijde bekendheid zou geven. En die onbedoeld aan de wieg stond van de hardnekkigste mythe over de Dogon.

Marcel Griaule (1898-1956) was de leider van de Mission Dakar-Djibouti in 1931, een expeditie dwars door Afrika van west naar oost die bijna twee jaar duurde. De onderzoekers legden in totaal bijna 20.000 km af en verzamelden onder meer 3.600 voorwerpen, 6.000 fotonegatieven, woordenlijsten van een dertigtal talen, films en 200 bandopnames voor het Musée d'Ethnographie du Trocadéro te Parijs (het latere Musée de l´Homme).
Na afloop besloot Marcel Griaule zijn verdere onderzoek en dat van zijn vele medewerkers vooral op de Dogon te richten. Zijn Masques Dogons (1938) en Dieu d'Eau (1948), zijn nog steeds standaardwerken over de Dogon. Het onderzoek van Griaule en zijn leerlingen vormt ook nu nog een belangrijke basis voor onze kennis over de Dogon. Zij lieten voor het eerst zien dat Afrikaanse volken wel degelijk beschikten over een complexe wereldbeschouwing. Het is opmerkelijk dat de publicaties van vóór 1945 nog niet verouderd zijn, hoewel de omstandigheden natuurlijk veranderd zijn en de ontwikkeling van de wetenschap en de antropologie niet heeft stilgestaan. Griaule heeft veel voor de Dogon betekend. Hij zorgde voor de eerste stuwdam in het Dogongebied en moedigde de uienteelt aan. Zijn vroegtijdige dood in 1956 was voor de Dogon aanleiding een grootse Dama (begrafenisfeest) organiseren.

Pop die M. Griaule voorstelt, gebruikt tijdens zijn 'begrafenis' in Sangha. Naar The Illustrated London News, 1957

Zijn werk werd voortgezet door zijn leerlinge Germaine Dieterlen (1903-2000). In 1998 bezocht zij voor het laatst het Dogongebied. Zij publiceerde onder meer Le Renard Pâle (1965), Les Ames des Dogons (1941) en Les Dogons (1999), haar laatste boek. En met de Franse filmregisseur-antropoloog Jean Rouch (1917-2004) maakte zij prachtige en baanbrekende films over het Sigi-ritueel bij de Dogon. Rouch, die op 19 februari 2004 op 86-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk in Niger om het leven kwam, wordt gezien als de vader van de etno-cinematografie en heeft grote invloed gehad op de Franse film in de jaren vijftig en zestig (Nouvelle Vague). Hij bracht een groot deel van zijn leven door in Niger en Mali waar hij een actieve rol speelde in de ontwikkeling van de Afrikaanse cinema. Hij maakte meer dan 100 films waarvan het merendeel in West-Afrika.

Het Nederlandse Dogononderzoek begon in 1958 toen de architect Herman Haan (1914-1996) bij toeval in het Dogongebied belandde. Hij slaagde er in ook andere architecten en kunstenaars, zoals Aldo van Eyck, Joop van Stigt, Jef Diederen en Bert Schierbeek voor de Dogon te interesseren. In 1960 trok hij met een ezel langs de Falaise. De documentatie die hij toen en op een volgende reis in 1962 verzamelde, vormde voor het Instituut voor Antropobiologie van de Universiteit Utrecht de aanleiding om een aantal onderzoeksreizen naar het gebied te organiseren. Zowel Haan als het Instituut voor Antropobiologie werden geholpen door Diangouno Dolo ( 2002), de chef van het  Dogondorp Sanga die als kleine jongen al voor Griaule had gewerkt en een van de belangrijkste informanten van Germaine Dieterlen was.