Hieronder volgt een hoofdstuk uit de c atalogus Met Kuirfje naar de Inca's, Strijdbaar Heden Roemrijk Verleden door Laura N.K. van Broekhoven (red), 2003. Verschenen bij tentoonstelling Met Kuifje naar de Inca's, Museum Volkenkunde, Leiden
Hoofdstuk 2. Illegale handel en schatgraverij in de Andes
Gentlemen, allow me just one question that shouldnt be judged as indiscreet: what do we, who are the owners of the inexhaustible sources that have provided these historic relics, own for ourselves? The answer is very simple: nothing!
(Eugenio Larrabure y Unanue, directeur van het Nationaal Historisch Instituut in zijn brief aan het Peruaanse parlement uit 1907)
Wanneer Howard Carter en zijn archeologisch team vlak voor de Tweede Wereldoorlog het graf van de Egyptische farao openen, worden de expeditieleden getroffen door medisch onverklaarbare ziektes. Om schatgravers af te schrikken werd het gerucht verspreid dat er een tekst op het zegel van het graf stond die luidde: "Wie de slaap van de farao verstoort, zal worden aangeraakt door de vleugels van de dood". Een aantal mensen dat de opening van het graf had meegemaakt, stierf tussen 1922 en 1929. In Europa en de Verenigde Staten speculeerden journalisten uitgebreid over de doodsoorzaak van de 5 à 13 expeditieleden. Het zou de vloek van de farao zijn die hen had getroffen.
Mummies - Westerse fascinatie voor een heilig gebruik
In 1995 werden in de Andes een aantal ijsmummies ontdekt. De fascinatie die de Peruaanse mummies (net zoals de Egyptische) bij een groot publiek te weeg brengt is terug te voeren naar een ver verleden maar is niet vrij van problemen. Ofschoon verzamelen en tentoonstellen van menselijke resten voor Westerlingen een normale zaak lijkt, voor veel niet-Westerse culturen is dat het helemaal niet. Mummies zijn publiekstrekkers, in sommige tentoonstellingen laat men het publiek zelfs over de uitgepakte mummies heenlopen. Peruaanse mummies worden al sinds de Spaanse overheersing tentoongesteld. Lang vóór de eerste faraos in Cairo aan het publiek getoond werden, stond het publiek in 1560 al in de rij om een aantal van de best bewaarde woestijnmummies te zien die ooit gevonden waren. Volgens de Spaanse kroniekschrijver Acosta stonden ze opgesteld in het Andrés Ziekenhuis in Lima.
Voor de Inca's waren mummies niet zomaar bezienswaardigheden en al helemaal geen objecten van onderzoek. Mummies werden gezien als heilige levende wezens, huacas, die gevoed moesten worden en verzorgd door de nabestaanden. In een vorm van directe reciprociteit onderhielden de levenden de doden en zorgden de doden dat de levenden voorzien werden van een vruchtbare aarde, een goede oogst en voldoende water. Gedurende de Spaanse overheersing probeerden de Spanjaarden tevergeefs de eeuwenoude gebruiken van offers aan mummies, het mummificeren van lichamen en het ronddragen van de resten ervan een halt toe te roepen. Tot groot verdriet van de Inca's werden honderden mummies verbrand, vernield of begraven in een christelijk graf. Na de Spaanse overheersing hield de schatgraverij en de heiligschennis echter niet op. De wetenschappelijke wereld zet hun werk voort, zij het vanuit een andere doelstelling. Mummies voorzien ons van informatie over hoe mensen er vroeger uitzagen, hun geloof, hun levenshouding en de gebruiken van de cultuur. Mummies worden op DNA getest, hun leeftijd wordt geschat en de ziektes waaraan ze gestorven zijn worden bepaald. Intussen is het duidelijk dat zelfs 9000 jaar geleden mensen al gemummificeerd werden. Verder heeft men kunnen vaststellen dat er 3 types mummificatie bestonden in Peru en dat zowel in het hoogland als aan de kust het gebruik van mummificeren belangrijk was. Inmiddels is het ook duidelijk dat veel inheemse volkeren er echter een groot probleem mee hebben dat wetenschappers zich hun voorouders toe-eigenen. Nog steeds zijn dit heilige wezens die het verleden en de toekomst mede bepalen. Sommige Boliviaanse, Chileense en Peruaanse hoogland bewoners zijn diep verontwaardigd als ze merken dat wetenschappelijk onderzoek als argument steeds weer zwaarder weegt dan traditionele beleving van waarden en normen. Andere (vooral kustbewoners) ervaren de band met het verleden heel anders en lijken de mummies veeleer als een bron van inkomsten te zien.
Vermeend recht op het verzamelen van gestolen cultureel erfgoed
In Europa wordt er in de museumwereld eigenlijk pas sinds de jaren 70 van de 20ste eeuw kritisch nagedacht over het al dan niet opnemen van gestolen cultureel erfgoed uit niet westerse landen in Europese collecties. In Peru echter was de export van archeologische objecten al veel langer een doorn in het oog van de nationale autoriteiten. Reizigers en verzamelaars uit het 19de eeuwse Europa en de Verenigde Staten benadrukten graag de ongeïnteresseerde houding van de Peruaanse bevolking ten opzichte van hun eigen nationaal erfgoed. Deze veronderstelde Peruaanse laksheid werd al snel gezien als een vrijbrief voor het uitvoeren van duizenden mummies, stukken textiel, goud en zilver en gebruiksvoorwerpen. Dit alles ter verrijking van privé-verzamelingen en als aanvulling op de collecties van nationale Europese musea en Amerikaanse universiteiten en musea. Ondanks het Peruaanse verzet exporteerden verzamelaars als Charles Wiener, Clements Markham en Ephraim Squier duizenden objecten naar overzeese musea met het excuus op die manier het prekoloniale Peruaanse erfgoed te bewaren voor de toekomst, aangezien de Peruanen zelf daar niet toe in staat zouden zijn.
Peruaanse objecten in Europese musea
In Peru zelf wordt de stroom van duizenden objecten die het land uit worden gesmokkeld naar Amerikaanse universiteiten als Tulane en Yale, als zeer aanstootgevend ervaren. In 1907 al somde de directeur van het Nationaal Historisch Instituut van Peru, Eugenio Larrabure y Unanue, verontwaardigd de duizenden objecten die zich in Europese en Amerikaanse musea bevinden op. Driehonderd objecten in Berlijn uit de collecties van Macedo en Gretzer; duizenden in Frankrijk in het Trocadero. In de Verenigde Staten liggen de collecties van de reizigers Muñoz, Squier en Uhle.
In een brief aan de Peruaanse president stelt Larrabure dan ook voor een efficiënte oplossing te zoeken voor deze onrechtmatige daden, en wel door alle uitvoer van prekoloniale objecten te verbieden en in de toekomst zeer nauw toe te zien op archeologisch onderzoek en verkenningstochten van buitenlandse instellingen. Zijn opmerkingen zullen later onderschreven worden door de toenmalige Peruaanse president José Pardo. De export van objecten blijft echter ongestoord doorgaan en laat zelfs een toename zien wanneer in 1911 Hiram Bingham als eerste archeoloog Machu Picchu bereikt de verloren Inca-stad, waarna Cuzco, het hart van het Inca rijk, één van de meest bezochte toeristische trekpleisters ter wereld wordt. In Peru zijn inmiddels diverse uitstekende musea; bestaat er sinds 1905 een Nationaal Historisch Instituut en hanteert men verder een strenge, internationaal erkende wetgeving betreffende beheer en behoud van cultureel erfgoed. Ondanks dit alles zijn er nog steeds vele verzamelaars, nationale en internationale toeristen die uit een 19de eeuws behoudsideaal cultureel erfgoed kopen in Peru. De toerist die vandaag de dag door Cuzco slentert, vindt dan ook op veel straathoeken antiquairs die archeologische objecten verkopen en daarbij de indruk wekken dat het kopen en exporteren van dit soort voorwerpen een legale activiteit is. Niets is echter minder waar. Vrijwel al deze objecten worden op illegale wijze door schatgravers geroofd uit graven en heilige plaatsen van de voorouders van de hedendaagse inheemse bevolking. Op deze manier wordt die bevolking beroofd van zijn verleden.
Plundering sinds de koloniale tijd
De Spaanse veroveraars leerden al snel dat er een geweldige hoeveelheid kostbaar metaal in de Peruaanse bodem te vinden was. Naast het delven van goud en zilver uit geologische afzettingen, konden zij op een veel minder arbeidsintensieve manier de Peruaanse grond uitbuiten. De graven van de gewezen heersers en hun adel bleken enorme schatten aan goud en zilver te bevatten. Dit goud en zilver waren natuurlijk al gedolven, gesmolten en bewerkt en al snel bleek het ontginnen van de grafvelden dan ook een zeer lucratieve bezigheid. Vrij snel na de verovering besloot de Spaanse kroon dan ook dat grafvelden vanaf dat moment wettelijk gelijk gesteld moesten worden aan geologische goudaders. Zodra de grafvelden als zodanig geregistreerd stonden en eigendomsaktes uitgeschreven waren, konden de grafvelden op systematische wijze geëxploiteerd en belast worden (door het koningshuis van Castillië werd 20 procent belasting geheven op mijnbouwproducten). Deze aanpak leidde tot buitensporige plunderingen van sites zoals Huaca del Sol, waar de bedding van de Moche rivier omgelegd werd zodat via hydraulische mijnbouw de Moche-tempel sneller afgegraven kon worden. De gouden en zilveren offergaven uit de graven konden zo sneller omgesmolten worden. Nabij de oude hoofdstad van het Chimor-rijk, in Chan Chan, benoemde de Spaanse kroon zelfs een koninklijke goudsmid, toen duidelijk werd hoeveel goud uit de koningsgraven van de Chimu tevoorschijn kwam.
Schatgraverij in Peru anno 2003
Het Andesgebied is vermoedelijk de meest intensief geplunderde regio ter wereld. Bij het uitvoeren van veldverkenningen langs de oude Inca-wegen komen archeologen anno 2003 soms tussen de 60 en 250 plunderaars per dag tegen. Op feestdagen kan het aantal van deze huaqueros (schatgravers) zelfs oplopen tot 600 à 800 plunderaars die op één dag sites in de woestijn leegroven. De tekst van één van de Peruaanse muzikale klassiekers (een marinera norteña), geschreven door Miguel Paz, brengt een ode aan de activiteiten die zich tot op vandaag de dag rond de huacas (tempels) in het Noorden afspelen. De tekst luidt als volgt:
Yo soy el huaquero viejo (ik ben de oude schatgraver)
que vengo de sacar huacos. (ik kom net terug van potten te plunderen)
De la huaca más arriba, (in de hoogste tempel)
de la huaca más abajo. (in de laagste tempel)
Huaquero, huaquero, huaquero, (schatgraver, schatgraver, schatgraver)
vamos a huaquear. (laten we samen gaan plunderen)
Coba coba coba al amanecer, (graaf, graaf, graaf bij het ochtendgloren)
coba coba coba al anochecer. (graaf, graaf, graaf bij zonsondergang)
Op deze manier is het leegroven van graven een soort feestelijk nationaal tijdverdrijf geworden, dat bezongen wordt in populaire liedjes. Op verjaardagen en belangrijke feestdagen, zoals het Paasweekend van Semana Santa, trekt een deel van de Peruaanse bevolking naar de oude tempelstructuren alwaar ze, gewapend met schop en pikhouweel, de graven van hun voorouders te lijf gaan. Tijdens die dagen is er een topdrukte, omdat men ervan overtuigd is dat zulke dagen geluk brengen.
De rol van musea in het bestrijden van illegale handel
Als we in 2003 de rekening opmaken, na bijna vijf eeuwen systematische roof van het culturele erfgoed van de Andeslanden, dan komen we tot een trieste conclusie. Grote hoeveelheden verfijnd aardewerk en voortreffelijke textielproducten, houten en stenen objecten vullen als curiosa de planken van musea en particuliere verzamelingen in de hele wereld, maar kennis over hun context, en begrip van hun functie en betekenis voor de Andesculturen lijken verder weg dan ooit. Ook vrijwel alle objecten die in deze catalogus voorkomen, zijn objecten afkomstig uit illegaal verrichte opgravingen. Dat geldt eigenlijk voor alle objecten uit collecties in Nederland en Europa. Dit soort objecten kan weliswaar vanuit een kunsthistorisch oogpunt beschreven worden, ze krijgen echter pas betekenis als ze in hun culturele context geplaatst kunnen worden. Een aardewerken pot op zich, ook al is de pot nog zo mooi gepolijst, beschilderd en bewaard, is als een medeklinker zonder klinkers, als een woord zonder zin, als een zin zonder het bijhorende verhaal. Als men een tekst van Shakespeare wil bestuderen en de bedoelingen van de schrijver achterhalen, dan zal men ook niet veel verder komen in de interpretatie als slechts enkele woorden uit zijn tekst ter beschikking zouden zijn. Voorwerpen die niet in een archeologische context gevonden worden, kunnen slechts op grond van hun uiterlijke vergelijkbaarheid gegroepeerd worden, en geordend op grond van stijl, decoratiepatroon of vorm. Over hun betekenis kan weinig met zekerheid gezegd worden.
Schatgraverij en het Internet
Bij een oppervlakkige zoektocht op het Internet op een willekeurige dag in mei, vindt een gebruiker al snel zon 873 Peruaanse prekoloniale objecten aangeboden. Daarnaast zijn er duizenden kleinere speerpunten, potten en textielstukjes te koop op de honderden websites die door ieder willekeurige gebruiker opgeroepen, uitgezocht en besteld kunnen worden. Op e-bay krijgt het publiek de kans de winnende bieder te feliciteren met zijn illegale aankoop. Daarbij wordt zowel de naam van de verkoper als die van de koper vrijelijk beschikbaar gesteld. Er zijn allerlei redenen te bedenken waarom arme boeren op het Boliviaanse of Peruaanse platteland uit overlevingsdrang objecten tegen vaak bespottelijk lage prijzen verkopen aan rijke tussenpersonen. Om doeltreffend de illegale handel tegen te gaan dient een alternatief aan de boeren geboden te worden. Dat soort alternatieven bestaat bijvoorbeeld in de vorm van replicas die tegenwoordig veel verkocht worden in Peru. Het is echter zo dat goede replicas vaak duurder zijn dan de echte prekoloniale objecten, en de gemiddelde toerist wil toch nog steeds liever een echt oud object kopen dan een perfecte kopie ervan. Deze replicas worden met veel zorg nagemaakt, op precies dezelfde wijze als de voorouders dat deden. Toch lijkt de teloorgang van de geschiedenis en de vraag voor respect voor andermans cultuur en voorouders geen doorslaggevende reden om van dit alternatief gebruik te maken. En zolang er geen vraag is naar het alternatief, is er ook geen toekomst voor de makers van dat legale product. Intussen is gebleken dat de vraag naar illegale producten blijft stijgen. Deze schatgraverij krijgt door de uitdijende internetmarkt nog een extra impuls.
De Unesco conventie van 1970
Kortom, eind jaren 40 was het niet voor de hand liggend de tentoonstelling en import van prekoloniale objecten ter discussie te stellen. Inmiddels zijn er conventies opgesteld door internationaal erkende instellingen zoals UNESCO, die de export en import van ongedocumenteerde objecten uit oorsprongslanden zoals Peru verbieden. In de zeer nabije toekomst wordt van alle officiële musea verwacht dat zij deze wetgeving naleven. De huidige visie is dat musea geen collecties meer zouden moeten verwerven die niet vergezeld worden van de benodigde uitvoerverordeningen vanuit het land van herkomst (tenzij er betrouwbare documentatie is om aan te tonen dat zij vóór 1970 werden uitgevoerd). Een regel die niet alleen dient te gelden voor het nieuw aankopen van objecten, maar ook voor giften, legaten en bruiklenen die zij willen opnemen in hun collecties. Daarnaast is het aan musea om waar en wanneer mogelijk op grote schaal openbare voorlichting te verschaffen, zodat het vernietigende effect van de illegale handel kan stoppen.