Zeeschuim is de populaire naam voor het rugschild van de zeekatSepia officinalis, een inktvis die in de zomer algemeen langs onze kust voorkomt. Als deze dieren sterven en tot ontbinding overgaan, komen de poreuze rugschilden naar de oppervlakte. Onder invloed van stroom en wind spoelen ze vervolgens aan.
|
Sepia |
Zeeschuim bestaat voor ongeveer 80 tot 90 procent uit aragoniet, een vorm van kalk. Het wordt voor diverse doeleinden gebruikt. Er wordt een wit poeder uit bereid, dat men met name vroeger veel gebruikte als kwalitatief hoogwaardig polijstmiddel. In de dierenhandel wordt zeeschuim aangeboden om te voorzien in de kalkbehoefte van volièrevogels, die de opgehangen schilden ook benutten om hun snavels te scherpen. Tot in de 19de eeuw werd zeeschuim, als Ossa sepiae, veelvuldig in de artsenijboeken vermeld als middel tegen allerlei kwalen, variërend van huiduitslag en oogontsteking tot de geslachtsziekten. In de Oriënt gebruikt men het als afrodisiacum, een middel waarvan men, vaak onterecht, veronderstelt dat het de seksuele drift stimuleert.
Zeeschuim moeten we niet verwarren met Meerschaum. Meerschaum is een zeer licht, vrij zacht, lichtgrijs tot gelig gesteente dat bij geologen bekend staat als sepioliet, en dat vooral in Klein-Azië wordt gedolven. Het wordt veel toegepast in de fabricage van vrij kostbare, bewerkte pijpenkoppen en sigarettenpijpjes. Het wordt ook gebruikt voor het snijden van siervoorwerpen.