Met kerst versieren we in veel huizen vol geen dennenboom, maar een spar. Een fijnspar (Picea abies) om precies te zijn. Het is een niet-inheemse soort, afkomstig uit Noord- en Midden-Europa. De naalden zijn hooguit 2,5 centimeter lang. Ze staan los van elkaar in rijen op de takjes. De dennenboom, om precies te zijn de grove den (Pinus sylvestris), is wel inheems. Dat wil zeggen, hij is in de late Middeleeuwen uit Nederland verdwenen, maar sinds de 16de eeuw veel aangeplant en verwilderd. De naalden van deze boom zijn langer dan die van de fijnspar, zo'n drie tot zeven centimeter. Bovendien staan ze, en dat is het belangrijkste verschil met de fijnspar, met twee bijeen in paren op de takken. Ook het hout van beide bomen is verschillend. De fijnspar levert vurenhout, de grove den grenenhout.
Zowel de fijnspar als de grove den behoren tot de dennenfamilie. Dus we zitten er ook niet heel erg naast met kerst. In Nederland onderscheiden we in deze familie naast de dennen en de sparren, nog vier geslachten: de zilversparren (Abies), de hemlocksparren (Tsuga), de douglassparren (Pseudotsuga) en de lariksen of lorken (Larix).
Vaak worden vertegenwoordigers uit twee andere families in één adem genoemd met de dennen, vooral als het gaat om het uitzoeken voor een groenblijvende plant voor de tuin. Het gaat hier ten eerste om de cipresfamilie, met als bekende vertegenwoordigers de schijncipres (Chamaecyparis), de levensboom (Thuja) en de jeneverbes (Juniperus). De andere familie, die van de taxussen, wordt in Nederland door één soort vertegenwoordigd, de venijnboom (Taxus baccata). Dit zijn dus geen dennen.
Overigens is "O dennenboom, o dennenboom" een vertaalfout. In het Duits is het "O Tannenbaum, o Tannenbaum", maar het Duitse woord 'Tanne' staat (naast 'Fichte') voor 'spar'. 'Den' is 'Kiefer' in het Duits.