Gallen zijn vergroeiingen van de plant. Ze variëren van verdikkingen in de meeldraden en omgekrulde bladranden tot knikkergrote bolletjes op bladeren, sterk behaarde bolletjes in stengels en woekeringen van enige tientallen centimeters in takken. Zelfs op wortels kunnen gallen voorkomen. Elke galvormer heeft zijn eigen galvorm, maar het precieze mechanisme is niet goed bekend. Waarschijnlijk zorgt de beschadiging van het weefsel zelf al voor een verhoogde groeiactiviteit bij de plant. Ongetwijfeld scheidt echter ook de galvormer een stofje af, waardoor de juiste galvorm ontstaat. De plantencellen van de gal zijn gewoonlijk groter dan normaal (hypertrofie), maar het is toch vooral de versterkte groei van het aantal cellen (hyperplasie) waardoor de gal zijn vorm krijgt. Misschien heeft de plant voordeel van de galvorming door zo de schade tot die plek te beperken, maar over het algemeen heeft alleen de galvormer baat bij de gal.
|
gal op eikentakje |
Gallen komen zeer algemeen voor. De gallendeskundige Docters van Leeuwen behandelde een halve eeuw geleden al 1200 gallen uit Nederland. Hij voerde daarbij wel gallen van dezelfde galvormer, maar op verschillende planten als verschillende gallen op. Ze zijn op de meest uiteenlopende plantachtige organismen te vinden, van algen en mossen tot bomen. In Europa treffen we de meeste aan op eiken en beuken, roosachtigen (zoals rozen en bramen), wilgen en populieren, en op samengesteldbloemigen als de distel. Elders kan die verdeling heel anders zijn. Docters van Leeuwen vermeldt gallen op ongeveer 420 Nederlandse plantensoorten. Van wintereik en zomereik alleen worden al bijna 80 soorten gallen beschreven. Hieronder valt ook de bekende knikkergal of galnoot. Dit zijn ronde gallen die we kunnen vinden in de oksels van de bladeren aan tweejarige takken. Als die bladeren zijn gevallen, zijn ze als opvallende donkerbruine knikkers te zien.
Gallen kunnen worden veroorzaakt door onder andere bacteriën, slijmzwammen en rupsen. De belangrijkste galvormers zijn echter insecten. Twee groepen verdienen speciale aandacht: de galmuggen (Cecidomyiidae) en de galwespen (Cynipidae). Maar weinig mensen weten van het bestaan van galmuggen, met 344 soorten de grootste familie van muggen in Nederland. Het is geen wonder dat ze zo weinig bekend zijn: ze zijn nauwelijks vijf millimeter lang. Een heel algemene galmug is Jaapiella veronicae, die op zomeravonden voor verlichte vensters zwermt. De larve van dit mugje veroorzaakt harige, bolvormige galletjes aan de uiteinden van scheuten van het Gewoon ereprijs. Ook de galwespjes zijn kleine diertjes, hoewel over het algemeen iets steviger gebouwd dan galmuggen. Nederland telt slechts zo'n 50-60 soorten galwespen, maar hun gallen zijn overal te vinden. Een heel algemene soort is Neuroterus quercusbaccarum, waarvan de meeste larven leven in de zogenaamde lensgalletjes op de onderzijde van eikenbladeren.
Bij veel galwespen wisselen een seksuele en een aseksuele generatie elkaar af. De lensgalletjes van Neuroterus quercusbaccarum, bijvoorbeeld, vallen in oktober op de grond. De larven voltooien hun ontwikkeling veilig in de gallen en verpoppen. In februari-maart komen de volwassen dieren uit de pop en kruipen uit de gal. Het zijn allemaal aseksuele vrouwtjes. Zonder dat ze worden bevrucht leggen die hun eieren in eikenknoppen. De larven die hieruit tevoorschijn komen veroorzaken op hun beurt kleine, ronde galletjes, de zogenaamde besgalletjes. We kunnen ze vinden op de bladeren of aan de mannelijke katjes. In mei en juni komt hieruit de nieuwe generatie volwassen dieren tevoorschijn. Deze bestaat uit vrouwtjes én mannetjes. Na de bevruchting legt het vrouwtje haar eieren in het bladweefsel. De daaruit komende larven veroorzaken weer de lensgalletjes.