Een aantal soorten bereikt in of bij Nederland de rand van het verspreidingsgebied. Deze rand schuift heen en weer met klimaatsveranderingen op lange termijn. Een voorbeeld is de koninginnepage. Deze prachtige dagvlinder verdween in de jaren vijftig vrijwel geheel uit ons land. Omgekeerd dook na lange afwezigheid in 1983 de processierups opeens weer op in ons land. Aan bedreigingen door klimaatsveranderingen is weinig te doen.
Heel anders is het gesteld met menselijk handelen. Aanleg van woonwijken, industrieterreinen en wegen, ontginnen van landbouwgronden, gebruik van insecticiden, aanleg van monocultures, vervuiling van oppervlaktewater, wateronttrekking aan de bodem: het zijn evenzovele aanslagen op het milieu en daarmee op het voortbestaan van de daaraan gebonden insecten. Ook het nalaten van ingrepen, waardoor bijvoorbeeld een heideveld langzaam bebost raakt, of de open plekken en paden in een bos dichtgroeien, kan bedreigend zijn voor bepaalde soorten.
Bijna alle insectengroepen gaan in aantal achteruit. Dat geldt zowel voor de groepen die als larve aan water zijn gebonden, zoals haften, libellen en steenvliegen, als ook bij groepen die geheel op het land leven. De relatief grootste achteruitgang is geconstateerd bij de steenvliegen. Door watervervuiling en normalisering van beken en rivieren verdwenen voor 1940 14 van de 28 inheemse soorten, tot 1960 nog eens vijf, en van de resterende negen soorten zijn er vier zéér lokaal en is één in de Geul levende soort al meer dan tien jaar niet waargenomen. Van de 60 soorten inheemse libellen worden er 15 in hun voortbestaan bedreigd; van de 76 soorten inheemse dagvlinders wordt voor 30 soorten gevreesd.
De beste maatregelen om verdere teruggang tegen te gaan, zijn aankoop en instandhouding van bedreigde biotopen en beter beheer van reeds beschermde gebieden. Een verbod tot het verzamelen van bedreigde soorten is zinloos als dat niet gepaard gaat met bescherming van de biotoop. De bedreiging komt namelijk niet van de kant van de verzamelaar, maar van de biotoop.