Stel, we kennen het proces 'spijsvertering' niet. We zien wel een steeds terugkerend verschijnsel van voedsel dat het lichaam ingaat en ontlasting die het lichaam verlaat. Een dergelijk patroon leidt toch al gauw tot de conclusie dat er in het lichaam vertering van het voedsel plaatsvindt. Daarvoor hoeven we het lichaam niet open te maken. Processen die wij nooit rechtsreeks kunnen bestuderen, zijn ontwikkelingen in het verleden. Pas als we in de tijd terug zouden kunnen reizen, zouden wij kunnen zien wat er werkelijk is gebeurd. Tot die tijd zijn wij aangewezen op het trekken van conclusies uit wat de geschiedenis ons heeft nagelaten. In de biologie zijn er twee van zulke historische ontwikkelingen waarvan we slechts de producten zien: evolutie en verspreidingsgeschiedenis.
Darwin en Wallace kwamen vooral op het idee van evolutie doordat zij waarnamen dat organismen op sommige eilanden er vaak heel anders uitzagen dan op het vaste land. Zij namen dus een patroon waar en trokken de conclusie dat dit een gevolg was van een veranderingsproces. Ze waren nooit op dat idee gekomen, als slechts één soort plant of dier op een eiland er anders had uitgezien. Dan zou er ook geen sprake zijn geweest van een patroon. Het proces evolutie verklaart ook andere patronen. Alle soorten kunnen worden gegroepeerd op basis van hun gelijkenis met andere soorten. Mensen en apen hebben meer kenmerken met elkaar gemeenschappelijk dan elk van beide met muizen. Deze drie groepen lijken onderling weer meer op elkaar dan elk van de drie groepen op vissen. Deze patronen in overeenkomsten vormen de bouwstenen bij een reconstructie van het proces van de evolutie.
Planten en dieren zijn niet willekeurig over de aarde verspreid. Op basis van de verspreiding van dieren wordt het aardoppervlak verdeeld in zes grote gebieden. Nederland valt in het zogenaamde Palaearctische gebied, dat heel Europa, Noord-Afrika ten noorden van de Sahara en Azië ten noorden van de Himalaya omvat. Deze grootschalige patronen zijn ontstaan doordat soorten zich binnen de gebieden gemakkelijker konden verplaatsen dan tussen de gebieden. Dit zegt overigens nog weinig over processen die vroeger hebben plaatsgevonden. Dat is anders bij patronen die we wel in het Zuidelijk Halfrond vinden. Verschillende soorten planten en dieren in Zuid-Amerika blijken hun naaste verwanten te hebben in Australië en soms ook in Zuid-Afrika. Dit wijst erop dat deze streken ooit één samenhangend geheel vormden (via Antarctica). Het proces dat aan dit verspreidingspatroon ten grondslag ligt is het uiteendrijven van de continenten. Ook dat proces kunnen we alleen aan de patronen herkennen.