De werkdag begint in de ochtendschemering. De kok heeft al thee gezet. Voor ik m'n natte en koude schoenen aantrek peuter ik er nog twee verkleumde bloedzuigers af. Ook even inspecteren of er niet zo'n 20 centimeter lange giftige duizendpoot een onderkomen in mijn schoen heeft gezocht. Wiebelend op de rand van m'n hangmat werk ik de opgewarmde rijst van gisteren naar binnen. Even poedelen in het riviertje, waarlangs het kampement is opgetrokken, en dan komt de zon tevoorschijn. Hier en daar worden stralen gevangen in volhardende nevelslierten boven het water, maar ik vind een plekje op een grote steen in het snel opwarmende zonlicht, waar ik de vangsten van de afgelopen nacht kan verzorgen. Dat kost me wel een uur of twee.
Om acht uur begint het al weer aardig warm te worden en overal om ons heen verschijnen kleurige dagvlinders. Op verschillende plaatsen heb ik vallen opgehangen met rottende banaan erin als lokstof. Daar zijn verschillende soorten vlinders verzot op. De inspectieronde gaat ten dele langs het riviertje. Het is nu nog wat vroeg, maar wat later op de dag komen grote aantallen vlinders op de vochtige zandplekken langs het water drinken. Met m'n parang (kapmes) kap ik een doorgang door metershoge gemberplanten en bamboe. Uit twee van de vallen is de banaan verdwenen. Misschien vond een eekhoorn de gistende banaan ook onweerstaanbaar. Rond tien uur ben ik terug in het kamp. Tijd voor een kopje koffie en het klaarmaken van een lunchpakket (een flinke hand rijst in een plastic zak), want ik zal pas tegen donker weer terug zijn.
Het kampje ligt op 200 meter hoogte. Vandaag ga ik met een gids en zijn vriendje naar een topje van 1400 meter om te zien wat daar aan vlinders vliegt. Het is al erg warm. Als je stilstaat heb je al het gevoel te zwemmen. Bovendien is 1200 meter klimmen hier iets anders dan in de Alpen. Er lopen geen paden door het bos, mijn begeleiders zetten er, op blote voeten, een flink tempo in. Regelmatig moet er een doorgang gekapt worden. Goede gelegenheden om even wat meer op vlinders te letten. Tegen drie uur zijn we op de top. Intussen is het zwaar bewolkt geworden. Geen vlinders dus. Wij rusten een half uurtje. Mijn begeleiders roken hun kretek (kruidnagel) sigaretten en peuteren doorns uit hun voetzolen. Terug gaat zeer veel sneller, maar toch zijn we pas in de schemering weer terug in het kamp.
De eerste zorg is nu het opzetten van de lamp voor de avondvangsten. Ik wil een nieuwe plek uitproberen en sleep generator, lamp en laken een eind stroomopwaarts. Het laken wordt vertikaal opgespannen en de lamp ervoor gehangen. Vlinders die op het licht afkomen gaan op het laken zitten en je hebt ze zo voor het uitzoeken. Rond tien uur begint het te miezeren. Het wordt nu echt dringen op het laken. Even uitkijken voor de nachtbijen, die bij honderden op het licht kunnen afkomen. Ook enorme cicaden, bidsprinkhanen, kakkerlakken kunnen de aantrekkingskracht van het licht niet weerstaan. Na middernacht zakt de drukte af. Dit is nog geen reden om te stoppen. Het is de favoriete tijd van vele grote pijlstaartvlinders. Maar om half één beginnen de vermoeienissen van de dag toch hun tol te eisen. Morgen is het weer vroeg dag.