Als magma diep in de aarde stolt, ontstaan grote kristallen. Zo wordt graniet gevormd. Als het magma echter als lava uitvloeit, koelt het veel sneller af. Er is dan geen tijd om grote kristallen te vormen. Het resultaat is een fijn kristallijn gesteente dat we basalt noemen.
In sommige gevallen koelt het magma zo snel af, dat zich helemaal geen kristallen vormen. De moleculen in het gesteente zijn dan op dezelfde wijze georiënteerd als in een vloeistof. Dat verschijnsel kennen we van glas, dat ook een onderkoelde vloeistof is. Het onderkoelde magma noemen we dan ook van wel vulkanisch glas. Een meer gebruikelijk naam is obsidiaan. Deze naam is afgeleid van Obsius, die volgens een legende het gesteente heeft ontdekt.
|
Pijlpunt van obsidiaan |
Vandaag de dag wordt obsidiaan, dat meestal zwart tot zwartbruin of grijs van kleur is, vooral gebruikt als siersteen. In het stenen tijdperk was het echter vooral een goede grondstof voor werktuigen. Net als glas heeft obsidiaan een vlijmscherp breukrand. Dit maakt het materiaal uitermate geschikt voor pijl- en speerpunten. Met name de indianen gebruikten veel werktuigen van obsidiaan.
De belangrijkste vindplaatsen voor obsidiaan liggen in Mexico, de Verenigde Staten en IJsland. Ook elders ter wereld echter kunnen we obsidiaan vinden. Een voorwaarde is natuurlijk dat er wel vulkanische activiteit moet zijn geweest.