Daartussen ligt een aantal vlakke gedeelten die we zeeën noemen. In werkelijkheid zijn dit geen zeeën maar uitgestrekte basaltplateaus. Op een heldere nacht is goed te zien dat de maan allerlei vlekken vertoont.
Toen Galileo aan het begin van de 17de eeuw als eerste ons zonnestelsel met een telescoop ging verkennen, richtte hij zijn blik ook op de maan. Galileo meende in de vlekken zeeën te herkennen. Inmiddels weten we dat de zwaartekracht van de maan veel te laag is om water vast te kunnen houden. Het gaat hier dan ook niet om zeeën, maar om uitgestrekte basaltplateaus.
Galileo's oorspronkelijke idee vinden we echter nog wel terug in de namen van deze gebieden. Zo herkennen we onder andere een Oceanus procellarum (oceaan der stormen), een Mare tranquilitatis (zee van rust), Sirius roris (baai van dauw) en een Lacus somniorum (meer der dromen).
De maan ontstond toen de aarde vroeg in haar geschiedenis botste met een protoplaneet. Een stuk aardkorst verdampte en een deel van de gaswolk die zo ontstond, klonterde samen tot de maan.
Omdat de maan geen dampkring heeft, staat zij voortdurend bloot aan een regen van meteorieten. Die meteorieten lieten met name hun sporen na zo'n vier miljard jaar geleden, toen het hemellichaam nog niet helemaal was gestold. De maan moet er in die tijd als een gigantische pokdalige bol hebben uitgezien.
Toen de buitenste korst was gestold, kreeg de maan echter een facelift. Nieuwe meteorietinslagen sloegen gaten in de korst. Deze gaten werden vervolgens opgevuld door de nog vloeibare binnenkant van de maan. Zo ontstonden de enorme basaltniveaus die Galileo voor zeeën aanzag.
De jongste stenen die bemande en onbemande ruimtevaartuigen van de maan hebben meegenomen, zijn iets meer dan drie miljard jaar oud. Toen was kennelijk de maan al zover gestold dat nieuwe inslagen niet meer het vloeibare binnenste konden bereiken.
Inmiddels is de maan tot aan de kern gestold.
Het meteorietenbombardement is de laatste drie miljard jaar gewoon doorgegaan. Weliswaar is de harde buitenkant van de maan niet meer zo gevoelig voor deze inslagen als in het allereerste begin, maar toch laten meteorieten duidelijk hun sporen na. Sommige van deze inslagkraters zijn terug te vinden in de basaltniveaus.
Eén van de bekendste van deze kraters heeft een doorsnede van 93 kilometer en ligt in de Mare imbrium (zee der regens). Deze krater werd vernoemd naar één van Galileo's illustere voorgangers, die 16de eeuwse sterrenkundige Copernicus.