'Schelpen' zijn de uit kalk bestaande uitwendige skeletten van weekdieren als slakken en mosselen. Na de dood van het weekdier vergaan de weke delen zeer snel. De harde schelp kan echter onder gunstige omstandigheden bewaard blijven en bedekt raken met zand of klei. In dergelijke afzettingen kan zo'n schelp soms zeer lang verborgen blijven, tot hij miljoenen jaren later weer opduikt.
Tijdens het fossilisatieproces verandert een schelp enigszins. De oorspronkelijk wat transparante schelpwand wordt door rekristallisatie ondoorzichtig. Toch zijn er ook voorbeelden bekend van zeer goed bewaarde, nog steeds transparante schelpen van hoge ouderdom. Dat duidt erop dat de bewaaromstandigheden in de betreffende aardlaag ideaal geweest zijn.
Schelpen die ingesloten zijn in meer of minder sterk verharde gesteenten zijn in ieder geval altijd fossiel. In minder gunstige omstandigheden kan een schelp in het bodemsediment meer of minder sterk oplossen, en dan ofwel geheel verdwijnen, ofwel als 'kern' of 'afdruk' in het gesteente bewaard blijven.
De vraag of iets fossiel of recent is, is dus niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. Een hele verse schelp is duidelijk recent en andere schelpen zijn duidelijk fossiel. Maar er zijn veel tussenvormen waaraan we het niet zo maar kunnen zien. Soms worden de termen subfossiel en subrecent gebruikt. Met subfossiele schelpen bedoelen we schelpen die nog nauwelijks van samenstelling zijn veranderd en die we ook nog in de recente fauna kunnen aantreffen.
Subrecent is een geologische term voor 'nog niet echt oud'. Een schelp uit de Middeleeuwen is weliswaar al enkele eeuwen oud, maar voor geologen is een dergelijke periode maar erg kort. Een duidelijke grens voor recent, subrecent en oud is niet echt aan te geven. Een geoloog die werkt aan Holocene sedimenten (10.000 jaar en jonger) zal sneller iets oud vinden, dan een collega die gewend is in miljoenen jaren te denken.
De schelpen die op de Nederlandse stranden aanspoelen zijn zeer verschillend van ouderdom. Soms spoelen zelfs nog levende dieren aan, die dus duidelijk 'recent' zijn. Het merendeel van de lege schelpen is echter afkomstig uit door de zee omgewoelde zand- en kleilagen, die van verschillende ouderdom kunnen zijn.
De oudste lagen die op deze manier door de zee worden aangetast vinden we in Zeeland. Op de stranden van Cadzand en Domburg spoelen talrijke schelpen aan met een ouderdom van soms vele miljoenen jaren (Eoceen, Mioceen, Plioceen). Langs de Noordzeestranden komen de schelpen meestal uit veel jongere lagen (Pleistoceen en Holoceen).