printen     versturen    

Hoe groeit een insect?

Insecten behoren, samen met onder andere de Spinachtigen, Kreeften, Pissebedden en Duizendpoten, tot de Geleedpotigen (Arthropoda). Kenmerkend aan Geleedpotigen is hun harde huid. Dit uitwendige skelet zorgt voor de stevigheid van het dier. Omdat de huid te stug is om mee te kunnen groeien wordt het regelmatig vervangen.

Uit zijn jasje gegroeid

Het afwerpen van de huid noemen we vervellen. Het hele dier vervelt, zelfs de huid over de ogen wordt vernieuwd. Het dier groeit letterlijk uit zijn jasje. Ondertussen heeft het onder de oude huid gezorgd voor een nieuwe huid. Die is aanvankelijk nog soepel en wordt, zodra de oude is afgeworpen, door de druk van binnenuit opgerekt tot ook deze huid weer te stug is. Het uitwendig skelet dient niet alleen ter versteviging en voor de aanhechting van de spieren, maar beschermt het dier ook tegen gevaren van buitenaf, zoals scherpe voorwerpen en predatoren. Het vervellen is dus een gevaarlijke onderneming, dat zo snel mogelijk moet worden uitgevoerd. Het afwerpen van de oude huid duurt daarom maar kort, van enige minuten tot hooguit een uur.

Met of zonder vleugels

Bij primitieve insecten, zoals Springstaarten en Zilvervisjes, is het diertje dat uit het ei komt een soort verkleinde uitvoering van het volwassen exemplaar. Na elke vervelling (minstens zes keer, maar in sommige gevallen veel meer) wordt het een stukje groter, tot het volwassen stadium is bereikt. Er ontwikkelen zich geen vleugels, en daarom noemen we deze insecten Apterygota. De meeste insecten echter zijn in het volwassen stadium gevleugeld; zij vormen de Pterygota. Soms zijn de vleugels later in de evolutie weer verloren gegaan (bijvoorbeeld bij Vlooien en Luizen), maar aan de bouw is dan te zien dat er vroeger wel vleugels waren.

Vleugels buiten of binnen

De Pterygota bestaat uit twee groepen: de Exopterygota en de Endopterygota. Tot de Exopterygota behoren de insecten waarvan de vleugels extern groeien en na iedere vervelling wat groter worden. Hieronder vallen bijvoorbeeld de Haften, Libellen, Sprinkhanen en Kakkerlakken. De jeugdstadia, nimfen genaamd, hebben korte, steeds langer wordende vleugels. Ze kunnen er pas mee vliegen als ze volwassen zijn.
Tot de Endopterygota rekenen we de insecten waarbij de vleugels zich binnen de huid van het jeugdstadium ontwikkelen, om uiteindelijk kant en klaar tevoorschijn te komen. Hiertoe rekenen we de Vlinders, Kevers, Vliegen, Bijen enzovoort. In het jeugdstadium ontbreken de vleugels. Pas in het popstadium worden de vleugels aangelegd. De verpopping is in feite de op één na laatste vervelling, en de ontpopping de laatste. Wat wij vlinders, kevers en muggen noemen, zijn de volwassen stadia die niet meer groeien, maar slechts dienen voor voortplanting en verspreiding.