printen     versturen    

Kunnen alle insecten vliegen?

Larven van insecten kunnen nooit vliegen, maar ook onder de volwassen insecten zijn vele ongevleugeld. Dit kan verschillende oorzaken hebben.
Van oorsprong ongevleugeld

De insecten worden in twee grote groepen verdeeld, de Apterygota of vleugellozen en de Pterygota of gevleugelde insecten. De Apterygota zijn van oorsprong ongevleugeld. Hiertoe behoren het zilvervisje, het ovenvisje en de springstaarten. Ze worden beschouwd als de meest primitieve insecten. Afgezien van toename in lichaamslengte vindt er vrijwel geen gedaanteverandering plaats tijdens de levenscyclus. Pas later in de evolutie ontstonden vleugels.

Onder bepaalde omstandigheden ongevleugeld

Bij de Pterygota zijn de volwassen dieren in principe gevleugeld. Omdat de larven ongevleugeld zijn, treedt er een zekere gedaanteverwisseling (metamorfose) op. Bij de hoger ontwikkelde insecten (Endopterygota) is die gedaantewisseling het sterkst. De ontwikkeling van vleugels kost energie en als je die vleugels niet echt nodig hebt, bijvoorbeeld voor de verspreiding, is dat een verspilling. Sommige insecten lossen dit op door alleen gevleugelde vormen te ontwikkelen wanneer dat nodig is. Bij de meeste bladluizen bijvoorbeeld zijn de voorjaarsdieren ongevleugeld en van het vrouwelijk geslacht. Ze planten zich parthenogenetisch voort, oftewel zonder bevruchting, en er ontstaan dichte kolonies. In de loop van het voorjaar en de zomer nemen de gevleugelde vormen in aantal toe. Deze verplaatsen zich naar andere planten.

Vleugels achtergelaten op de evolutieweg

Bij enkele insectenorden zijn de vleugels volledig verloren gegaan. Dit is onder andere het geval bij luizen, zoals de schaamluis, en vlooien. De laatste behoren tot de Endopterygota, wat te zien is aan het grote verschil tussen larve en volwassen dier en de aanwezigheid van een popstadium. De luizen daarentegen behoren tot de Exopterygota; doordat zich geen vleugels ontwikkelen lijken de volwassen dieren op de larven. Bij andere orden van de endopterygote insecten, met normaal gevleugelde volwassen dieren, komen soorten voor die tijdens de evolutie de vleugels zijn kwijtgeraakt. Dit is bijvoorbeeld het geval met de schapenluisvlieg, die parasitair bij schapen voorkomt en zich alleen kan verspreiden als de schapen dicht opeen staan. Ook bij verschillende, niet met elkaar verwante vlinders komt ongevleugeldheid voor, maar dan alleen bij de vrouwtjes. Dit is onder andere het geval bij de zakjesdragers, de witvlakvlinder en verschillende soorten spanners.

Afgeworpen vleugels

Als vleugels alleen maar dienen om op een bepaalde plek te komen en die bestemming is bereikt, dan kunnen de vleugels worden afgeworpen. Dit doen bijvoorbeeld mierenkoninginnen als ze na de bevruchting op de grond op zoek gaan naar een geschikte nestplaats. Hetzelfde zien we bij de hertenluisvlieg, die zijn vleugels afwerpt zodra hij een geschikte gastheer, bijvoorbeeld een edelhert, heeft gevonden.