Het Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden, bij het publiek inmiddels bekend onder de naam Naturalis, heeft een geschiedenis die terug gaat tot de natuurhistorische kabinetten in het Nederland van de 18de eeuw. De voornaamste onderdelen van de museumcollecties kwamen in 1820 samen onder de naam 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie. De eerste directeur werd C.J. Temminck, in zijn tijd een vogelkundige van wereldfaam.
Naast het werk in de Nederlandse en Europese fauna, werd bij de oprichting ook een zogenoemde 'Natuurkundige Commissie' ingesteld. Die had tot taak 'de natuurlijke voortbrengselen van overzeese gebiedsdelen' te onderzoeken. Een bijzondere nadruk lag op de planten- en dierenwereld van het Verre Oosten, met name het tegenwoordige Indonesië. Naast zoölogie behoorde later ook de geologie tot de taken van het museum. Botanie werd in 1829 toegewezen aan het latere Rijksherbarium, ook in Leiden.
Opeenvolgende ambitieuze en ijverige directeuren, conservatoren en verzamelaars te velde hebben de collecties op het huidige niveau gebracht van 10 tot 15 miljoen individuele objecten (afhankelijk van de toegepaste telmethode). De objecten lopen uiteen van zoogdieren en insecten tot fossielen en gesteenten en mineralen. Veel van de schatten van het museum zijn sinds de opening van het nieuwe museum in april 1998 te zien in de tentoonstellingsruimten aan de Darwinweg. Daaronder bevindt zich een selectie van inmiddels uitgestorven zeldzame dieren, het schedeldak en botten van de 'verbinding tussen de mens en zijn aapachtige voorouders': de Javamens en een collectie prachtige, kostbare edelstenen.
Het Nationaal Natuurhistorisch Museum kende een lange periode van waardevolle, maar voor het publiek onzichtbare wetenschappelijke activiteiten, zoals enkele grote expedities. De nieuwe faciliteiten maken van Naturalis eindelijk weer een volwaardig museum. De hoeveelheid personeel is gegroeid tot zo'n 150 mannen en vrouwen, waaronder 25 biologen en geologen die als conservator alle belangrijke specialismen bestrijken. Het collectiebeheer wordt ondersteund door 30 ervaren collectie-technici.
De basis van het Leidse museum is altijd de studie van de diversiteit van de natuur op Aarde geweest. In dit verkennen, verzamelen, beschrijven, analyseren en classificeren verschilt Naturalis niet van zusterinstellingen in het buitenland. De historische reconstructie van de evolutie van organismen, maar ook de essentiële bouwstenen van die diversiteit zoals gesteenten en mineralen, is al een eeuw lang een voorname drijfveer achter het wetenschappelijke onderzoek. De nieuwe publieksfaciliteiten maken het nu ook mogelijk het publiek op een aantrekkelijke manier over de kennis van het evolutieproces te informeren. In het eerste jaar zijn al 350 duizend bezoekers op de exposities afgekomen.
Naast de exposities is er ook een Natuur Informatie Centrum, dat duizenden referentie-exemplaren herbergt, een populair-wetenschappelijke handbibliotheek, en een digitaal informatiesysteem (taXon). Het centrum is in de eerste plaats bedoeld om de nieuwsgierigheid van de serieuze bezoeker met betrekking tot de levende en de fossiele fauna en flora van Nederland te bevredigen, en leerlingen van scholen te ondersteunen, bijvoorbeeld bij het maken van werkstukken.
De overkoepelende titel voor het nieuwe onderzoeksprogramma van het museum is Aarde, water, land, en leven - in die volgorde. Onder die paraplu zal het in kaart brengen van de diversiteit in alle levende en 'dode' processen op onze planeet zich bewegen rond een centrale vraag: Welke rol heeft de dynamiek tussen land en water gespeeld bij de evolutie van soorten? Deze 'geo-fysische machinerie' achter de evolutie van het leven is uiteraard geen simpele pomp die soorten genereert. Het is eerder een complex systeem met hooguit vaag bekende onderdelen die samenwerken op verschillen schalen van ruimte en tijd. Die schalen kunnen lopen van een decennium tot vele miljoenen jaren en van eilandjes tot complete continenten. Zo kunnen locale variaties van soorten ontstaan door de gescheiden evolutie op twee oevers van een brede rivier. Maar ook het onderling bewegen van de continenten, de tectoniek, heeft de nodige invloed op verspreiding, verdwijning en het voortbestaan van grote groepen van planten en dieren.
Met deze thema's zijn veldwerkers in een aantal regionaal-logistieke clusters van wetenschappers actief. Zo bestaat het cluster dat zich concentreert op het Verre Oosten uit een land-team en een zee-team. Natuurlijk houdt het museum ook vast aan de verplichting de inventarisatie van de fauna en de geologie van Nederland te ondersteunen. Dat gebeurt door het publiceren van verspreidingsatlassen, handboeken, gidsen, overzichten, en wat dies meer zij.
Het Nationaal Natuurhistorisch Museum is zeker van plan alle middelen en expertise in te zetten bij het in kaart brengen van de natuurlijke diversiteit. Op zijn eigen wijze is het museum ook geschikt om een rol te spelen in de bevordering van het wetenschappelijk onderzoek en het maatschappelijke bewustzijn rond biodiversiteit, duurzaamheid en de kwaliteit van het leven.
Het Nationaal Natuurhistorisch Museum bevat ook een groot aantal wetenschappelijke ijkwaarden, waaronder de zogenoemde type-exemplaren, die als herkenningsstandaard gelden voor bij voorbeeld soorten vogels of insekten, maar ook voor koralen of fossielen. Deze objecten trekken zowel professionele als vrijetijds biologen en -geologen uit de hele wereld. Het materiaal uit het Verre Oosten, versterkt door recente en toekomstige samenwerking, blijft een sterk punt van het Leidse museum. Bij het gebruik van de collecties en de bijbehorende expertise zal het maatschappelijke belang voorop staan. De wetenschappelijke informatie moet bij voorkeur gebruikt worden bij het duurzaam beheer van onze biosfeer. De informatie moet ook begrijpelijk vertaald worden voor een groter publiek, bij voorbeeld via nieuwe exposities en digitale technieken.