De natuurbescherming in Nederland stamt al van het einde van de 19de eeuw. De rol die de mens daarin speelt is sindsdien behoorlijk veranderd.
Van rentmeester tot vijand
Eeuwenlang heeft de mens gemeend rentmeester te zijn van de natuur. Dat idee veranderde begin 20ste eeuw. De natuur kwam steeds meer in de verdrukking. Sommigen begonnen de mens als vijand van de natuur te zien, die veel beter af zou zijn zonder menselijke bemoeienis. De eerste natuurbeschermende maatregelen bestonden dan ook uit het aankopen van natuurterreinen, waar de mens zo veel mogelijk uit werd geweerd. In 1905 werd de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten opgericht, die in 1906 het Naardermeer als eerste natuurgebied in Nederland aankocht. Naast de aankoop en bescherming van gebieden richtte men zich op het behoud van soorten, zoals orchideeën. Zo ontstond al voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog het idee bedreigde planten en dieren bij wet te beschermen. Dit resulteerde in 1973 in een lijst van deze beschermde soorten in de Natuurbeschermingswet. Deze lijst is opgenomen in de nieuwe Flora- en Faunawet van 1998.
Van vijand tot schepper
Menselijke activiteiten vormen voor vele gebieden een bedreiging. Soms is dat duidelijk te zien. Denk maar aan de stukken natuur die worden opgeofferd aan allerlei vormen van landgebruik, zoals landbouw, stedenbouw, wegenaanleg en recreatie. Vaak zijn de gevolgen van menselijk activiteiten meer indirect. Denk bijvoorbeeld aan luchtvervuiling en de daarmee samenhangende verzuring van de bodem, of aan wateronttrekking met verdroging als gevolg. Een ander probleem is de vermesting. Soms echter heeft de aanwezigheid van de mens ook een positieve invloed op de natuur. Dankzij de mens kent Nederland een grote verscheidenheid aan levensgemeenschappen en ecosystemen, waaronder de hei en verschillende soorten bos. In zo'n landschap is menselijk ingrijpen soms zelfs noodzakelijk voor het voortbestaan van een bepaalde levensgemeenschap. Anders zou de hei bijvoorbeeld binnen de kortste keren vergrassen.
De mens als beheerder en natuurontwikkelaar
Pas na de Tweede Wereldoorlog is het inzicht ontstaan dat de mens door actief ingrijpen de natuur niet alleen kan verarmen, maar ook verrijken. Door aangepast beheer wordt nu geprobeerd de natuur een handje te helpen en daarbij de biodiversiteit te behouden of te verhogen. De manier waarop dit gebeurt hangt af van het soort landschap: cultuur- of (half-)natuurlijk landschap. Zo worden heidevelden instandgehouden of hersteld door ze af te plaggen, te maaien en opnieuw van grazers te voorzien. Bossen worden op een meer natuurlijke manier beheerd door bijvoorbeeld de dode bomen te laten liggen. Ook worden tegenwoordig zelfs hele nieuwe stukjes natuur ontwikkeld. Zo werd in 1997 door Staatsbosbeheer een stuk duin bij Schoorl weggegraven om de zee een nieuwe slufter te laten vormen. En bij de aanleg van Flevoland ontstond een vogelrijk moerasgebied, waar later nog een groot stuk droog terrein aan werd toegevoegd: de Oostvaardersplassen. Amfibieën krijgen nieuw gegraven poelen, vleermuizen winterverblijfplaatsen, dassen krijgen tunnels onder snelwegen door en groter wild krijgt viaducten eroverheen, zoals bij de Woeste Hoeve op de Veluwe.