Carboon: ca. 360 tot 290 miljoen jaar geleden
Deze periode is genoemd naar steenkool (= koolstof = carbon). De grondstof (planten) voor steenkool was in deze periode in grote hoeveelheden aanwezig én de omstandigheden voor de vorming van steenkool waren gunstig in deze periode.
Ongeveer de helft van alle bekende steenkoolvoorraden op aarde is afkomstig uit het Carboon
Gondwana en het Old Red Continent (Laurentia, Baltica en Avalonia samen) bewogen zich steeds meer naar elkaar toe en begonnen een aaneengesloten landmassa (Pangea) te vormen.
Avalonia - met daarop Nederland - lag in het noordelijk deel van deze landmassa. Door de positie bij de evenaar heerste er een tropisch klimaat.
Het zuurstofgehalte in de atmosfeer bereikte een hoogtepunt: Zo'n 35 % van de atmosfeer bestond uit zuurstof.
Het kooldioxide gehalte daalde tot het huidige niveau (4 % van de atmosfeer).
Aan het begin van het Carboon was het nog steeds warm op aarde. Halverwege dit tijdperk begon er op Gondwana een ijstijd. Met het periodieke afsmelten en weer aangroeien van de zuidelijke landijskappen steeg en daalde de zeespiegel vele malen sterk, waarbij de Tethys Zee ontstond. De Middellandse Zee is hier een overblijfsel van.
In de kustgebieden van Laurazië (Laurentia) ontstonden weelderige moerasbossen, die gonsden van het leven. Vooral reusachtige insecten zijn hier opvallend. Sommige libellen hadden een spanwijdte van 70 cm !
Uit bepaalde amfibieën ontwikkelden zich de eerste reptielen. Reptielen waren de eerste landdieren die voor hun voortplanting geen water nodig hadden. Hun eieren waren namelijk bestand tegen uitdroging. Zo konden zij het land verder veroveren.
Verder ontwikkelden de slakken en de mosselachtigen zich sterk.
Van de vissen vormden de kraakbeenvissen, zoals de haaien, de belangrijkste groep.
Op het land kwamen bijna alle hoofdgroepen van de tegenwoordige planten voor, behalve de bloemplanten en de coniferen.
De landflora werd overheerst door wolfsklauwachtigen, paardestaartachtigen en varenachtigen. Veel soorten, met name de wolfsklauwachtigen, bereikten de afmetingen van bomen.
Net zoals nu hadden tropische gebieden een weelderige plantengroei. Rond de polen was de vegetatie schaars en vertoonden de planten dwerggroei of wierpen in de winter hun bladeren af.
In zee bleven de algen van belang.