De wereld bestond alleen uit het supercontinent Pangea en de superzee Panthalassia.
Aan het eind van deze periode viel Pangaea uiteen door bewegingen van de aardplaten, met als gevolg vulkanische activiteit, in de twee kleinere continenten Laurazië en Gondwanaland.
Door de vulkanische activiteit, werd de zeebodem omhoog geduwd, waardoor het zeeniveau weer begon te stijgen.
Langs de kustlijnen kwamen vochtige hete moessonbossen voor en verder landinwaarts bestond het landschap voornamelijk uit woestijnen.
Het zuurstofgehalte in de atmosfeer bleef zon 18% en ook het koolstofdioxidegehalte veranderde nauwelijks.
Er heerste een heet klimaat en in het binneland duurde de droogte van het Perm voort.
Zelfs bij de poolcirkels was het vrij warm: er waren geen ijskappen op de polen.
In zee had de dramatische vermindering in het oppervlak van ondiepe kustzeeën gedurende het Perm zijn tol geëist. Veel diergroepen waren uitgestorven en de opengevallen plaatsen werden gedurende het Trias ingenomen door andere groepen.
Zo ontstonden de koraalgroepen van tegenwoordig en was er een enorme toename van het aantal soorten weekdieren. De ammonieten wisten zich na de moeilijke omstandigheden goed te herstellen.
De beenvissen vormden de belangrijkste groep vissen.
In een wapenwedloop tussen prooien en roofdieren ontstonden nieuwe diergroepen met een steeds snellere manier van voortbewegen.
Reptielen kwamen in veel verschillende leefmilieus voor.
In deze tijd ontstonden de eerste vliegende reptielen en de eerste dinosauriërs. De vliegende reptielen ontwikkelden een vlieghuid tussen de romp en de voorste ledematen, waarmee ze een beperkt vliegvermogen kregen.
Er verschenen krokodillen, hagedissen en schildpadden, die zowel aan het leven op het land als aan het leven in zee waren aangepast.
Op het land ontstonden aan het eind van het Trias uit de zoogdierreptielen nieuwe diersoorten die hun jongen zoogden. Dit waren de eerste zoogdieren.
De plantengroei werd overheerst door naaldbomen, cycas-achtigen (palmvarens) en ginkgos, die s' winters hun bladeren verloren. Deze planten konden goed tegen de droogte en hun zaden waren bestand tegen uitdroging.
In zee bleven de kalkalgen een belangrijke groep. Zij droegen bij aan de vorming van koraalriffen, door kalksteen te vormen, waarop koraaldiertjes konden groeien.
Verder lezen:
De opkomst en ondergang van de Dinosauriërs
Het ontstaan van de eerste vogels