Er zijn verschillende typen lange buisvormige botten te onderscheiden. Kijk goed naar de vorm van de gewrichten (uiteinden) van het bot, en maak een keuze uit de volgende vier opties:
|
|
|
| KOGEL + ROLGEWRICHT | PLAT VLAK + BOL SCHARNIER | |
| Het bot heeft aan het bovenste uiteinde een grote gladde gewrichtsknobbel. Het rolgewricht aan de onderkant heeft een gewelfde vorm (golvende lijn).
De buis is niet helemaal recht, maar heeft een lichte S-curve. |
Het bot heeft aan de bovenkant een plat gewrichtsvlak en aan de onderkant een bol scharniergewricht met een scherpe richel.
|
|
|
|
||
|
|
|
| SPAAKBEEN | SCHEENBEEN | |
| De buis is meestal in de lengte afgeplat. Het bovengewricht bestaat uit holle vlakken. Het ondergewricht is bol en heeft soms scherpe richels.
Toelichting spaakbeen>> |
Het bovengewricht heeft een driehoekige vorm. De buis is licht gebogen. Het ondergewricht bestaat uit twee holle gleuven die evenwijdig aan elkaar lopen.
|
| Let op
Een lang bot hoeft niet compleet te zijn om het te kunnen benoemen. Als er nog één gewricht aan vast zit, kom je er vaak nog wel uit. Concentreer je op het gewricht dat nog wel aanwezig is. Let bij een gebroken bot ook op de vorm van de doorsnede. Bij botten van jonge dieren ontbreken soms de gewrichten. Die zijn dan nog niet vastgegroeid. Zulke botten zijn moeilijk te benoemen. Door te letten op de vorm van de buis is eventueel wel het bottype te bepalen. |