printen     versturen    

taak

 

Het gebit van dieren is aangepast aan het voedsel dat een dier eet. Veranderingen in het milieu kunnen grote gevolgen hebben voor de leefomstandigheden van dieren. Vaak zie je dan ook in de loop van de evolutie dat gebitten van dieren mee veranderen met het milieu waarin ze leven. Een dergelijke ontwikkeling hebben wetenschappers ook bij de olifantachtigen ontdekt. De eerste olifanten (50 miljoen jaar geleden) leefden in een bosrijke omgeving en hebben het gebit dat duidelijk verschilt van het gebit van bijvoorbeeld wolharige mammoeten die op de steppen leefden. Onder andere de ontwikkeling van het gebit is gebruikt om de evolutie van de olifantachtigen te reconstrueren.

Om inzicht te krijgen in deze ontwikkeling ga je fossiele kiezen van vroege en late olifantachtigen met elkaar vergelijken. De kennis en ervaring die je daarmee opdoet, gebruik je vervolgens om in een eigen onderzoek te bekijken of de ontwikkeling van de kiezen inderdaad overeenkomt met veranderingen in de leefomgeving van de dieren.
 
Als je klaar bent met dit deel, kan je beginnen met het vervolg:

Verdiepend onderzoek
Hoe weten we of de veranderingen van de kiezen van olifantachtigen echt samenhangen met veranderingen in de leefomgeving? Kiezen van Afrikaanse en Indische olifanten laten zien dat leefomgeving, dieet en de vorm van de kiezen sterk samenhangen. Ook van de wolharige mammoeten weten we wat dat betreft erg veel. Dankzij vondsten van maaginhouden van wolharige mammoeten permafrost van Siberië is precies bekend wat het dieet van deze soort was: de hardere grassoorten van de steppen. Ze kregen bovendien veel zand binnen, waarvan kiezen snel slijten. De kiezen van wolharige mammoeten vertonen precies de kenmerken die passen bij dit dieet: hoogkronig tegen slijtage en scherpe richels om taaie grassen te malen. Hoe zit dat voor de vroegere olifantachtigen? Weten we iets van hun leefomstandigheden? Van deze dieren zijn geen maaginhouden gevonden, slechts botten en kiezen. Er zijn echter ook andere manieren om een idee te krijgen van de leefomgeving en het mogelijke dieet van de olifantachtigen, door te kijken naar plantenresten. Stuifmeelkorrels, of pollen, zijn oersterk en blijven heel lang bewaard. Dankzij pollen in een bodemlaag kunnen we iets zeggen over het landschap en zelfs over het klimaat in de periode dat de bodemlaag werd gevormd.

Naturalis heeft uit het nalatenschap van een arbeider twee kiezen van twee verschillende olifantachtigen gekregen. De arbeider vond de kiezen ooit in een van de kleigroeves in de buurt van het Limburgse Tegelen. Tussen de knobbels van een van de kiezen bevonden zich restjes klei en uit deze klei zijn pollenkorrels gezeefd. Hiervan is uiteindelijk een preparaat gemaakt. Doordat de vindplaats exact bekend is weten we dat het olifantachtigen betreft die tegelijkertijd hebben geleefd in een periode van het Vroeg-Pleistoceen: het Tiglien (genoemd naar de vindplaats Tegelen).  Dit is een relatief warme periode, die vooraf ging aan de ijstijden waarin de wolharige mammoet op het toneel verscheen.
Dankzij de gevonden stuifmeelkorrels kunnen jullie je een beeld vormen van de leefomgeving van deze beide olifantachtigen. En wellicht kan deze informatie bijdragen aan de verklaring voor de ingrijpende veranderingen van het olifantengebit in de loop van de evolutie.

Het onderzoek naar fossielen gebeurt in een aantal stappen. Deze stappen ga je volgen om de bovenstaande opdrachten uit te voeren. Je vindt ze onder het tabblad proces.