printen     versturen    

Tanden vertellen

Vondsten van fossiele resten geven een beeld van de flora- en faunasamenstelling in een bepaalde periode. Bij de reconstructie van de vegetatie richt het onderzoek zich voornamelijk op stuifmeelkorrels. De fossiele resten van zoogdieren bestaan meestal uit botten en kiezen. Het skelet en gebit zijn voor iedere soort anders, omdat ze worden bepaald door verwantschap en de levenswijze van een soort.

Tanden en kiezen zijn opgebouwd uit een wortel en daarop een kroon. De kroon heeft een kern van tandbeen en een harde buitenlaag van glazuur. Het harde glazuur zorgt ervoor dat tanden en kiezen vaak goed fossiliseren. Zoogdieren hebben een melkgebit en een permanent gebit. Het permanente gebit bestaat uit snijtanden, hoektanden, valse kiezen en ware kiezen.

Elk van deze typen gebitselementen hebben een bepaalde functie bij de voedselopname. Snijtanden dienen voor het aanpakken en afhappen van voedsel. Hoektanden zijn voor het grijpen en vasthouden. De valse en ware kiezen dienen respectievelijk voor het verkleinen en vermalen van voedsel.

 

Oorspronkelijk hebben zoogdieren per kaakhelft drie snijtanden, één hoektand, vier valse kiezen en drie ware kiezen. Bij veel diersoorten is door een aanpassing aan een bepaald dieet het aantal tanden en kiezen verminderd. Zo heeft de huismuis per kaakhelft één lange, doorgroeiende snijtand en drie ware kiezen. Ook bij de mens is het aantal tanden en kiezen afgenomen. Hij heeft per kaakhelft twee snijtanden, één hoektand, twee valse kiezen en drie ware kiezen.

De vorm van een tand of kies verschilt per diergroep. Vooral de kiezen vertonen zeer uiteenlopende structuren. Globaal onderscheiden we de volgende groepen kiezen op grond van het kauwvlak:

  • Plooikiezen en richelkiezen: Herbivoren (planteneters)
  • Knobbelkiezen: Omnivoren (alleseters)
  • Puntige tot mesvormige kiezen: Carnivoren (vleeseters)
  • Kleine kiezen met zeer scherpe punten en richels: Insectivoren (insecteneters)
 
 
 
 
 
Kiezen van respectievelijk een herbivoor (paard), een omnivoor (varken), een carnivoor (katachtige) en een insectivoor (mol).

Een bijzondere aanpassing die men vaak in de kiezen van planteneters aantreft, is hoogkronigheid. Dat wil zeggen dat de kroon van de kies uitzonderlijk hoog is. Een goed voorbeeld is de vergelijking tussen de kroon op de kiezen van een paarden (graseter) en die van een varken (zie bovenstaande figuur). Hoogkronigheid is een aanpassing aan het verwerken van het hard voedsel (bijv. gras, waarin veel kiezel zit), waardoor de kiezen snel slijten.

Bronnen/tips om verder te lezen:
Websites
www.natuurinformatie.nl (o.a. kiezendeterminatietabel)
www.nhmmaastricht.nl (website Natuurhistorisch Museum Maastricht)